Proefles: Basisopleiding Dierenartsassistent(e)

Kies voor een veelzijdig beroep met de opleiding Dierenartsassistent(e)!

Met deze proefles krijg je een indruk van de beroepsopleiding Dierenassistent van het NTI. Je krijgt inzicht in de lesstof. Je kan ook alvast vragen maken en deze zelf controleren. Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Heel veel succes en plezier met de proefles.

 

6 Gedrag

Inleiding

Waarom wil de mens het gedrag van dieren leren kennen? Door meer te weten over het gedrag van een dier, is het mogelijk om het dier beter te verzorgen, op te voeden en een betere huisvesting te geven. Voor productiedieren geldt dat meer inzicht in het gedrag kan leiden tot een betere productie. Denk maar aan de melkproductie van een koe.

Om het gedrag van onze huisdieren te leren kennen, is het nodig om meer te weten over het gedrag van de dieren in het wild. Het is niet makkelijk om de verschillen aan te geven tussen het gedrag van wilde dieren en huisdieren. De omgeving van een dier speelt een belangrijke rol bij gedrag. Bepaalde ervaringen, vooral die op jonge leeftijd, kunnen het gedrag blijvend beïnvloeden. Zo kan het voorkomen dat twee honden uit hetzelfde nest zich in een aantal opzichten anders gedragen. Dit kan ontstaan doordat de dieren in een andere omgeving zijn grootgebracht.

De wetenschap die het gedrag van dieren bestudeert, heet ethologie of gedragsleer. Dieren die tot eenzelfde diersoort behoren, hebben vaak dezelfde gedragskenmerken. Gedrag van een andere soort wordt soms verkeerd vertaald. Dit leidt dan tot onbegrip tussen verschillende soorten. Denk maar aan het omgaan van katten met honden. Als een hond zijn buik laat zien, betekent dit onderworpen gedrag. Een kat die zijn buik laat zien, heeft daar heel andere bedoelingen mee
Veel mensen vergelijken dieren met mensen. Zij geven dieren kenmerken die alleen bij mensen passen. Zij zeggen bijvoorbeeld dat hun hond ‘spijt ergens van heeft’. We noemen dat vermenselijking of antropomorfisme.

6.1 Wat is gedrag?

Alle uitingsvormen van dieren die als uiteindelijk doel hebben de soort in stand te houden, noemen we gedrag. Deze uitingsvormen bestaan uit waarneembare gedragingen, zoals bepaalde lichaamshoudingen, het produceren van geluiden en uiterlijke veranderingen. Voorbeelden van lichaamshoudingen bij een hond of kat kunnen zijn: een bepaalde stand van de oren, de stand van de staart of bepaalde bewegingen. Met het produceren van geluiden bedoelen we bijvoorbeeld het blazen of miauwen van een kat, het grommen en blaffen van een hond en het hinniken van een paard. Uiterlijke veranderingen kunnen bestaan uit het afgeven van bepaalde geuren of het aannemen van een andere kleur.
Gedrag wordt bepaald door:
- erfelijke factoren;
- uitwendige prikkels (omgeving);
- inwendige prikkels.

6.1.1  Gedrag bepaald door erfelijkheid

Veel dieren voeren handelingen uit die ze nooit hebben aangeleerd, maar die wel noodzakelijkzijn voor het voortbestaan van hun soort. Voorbeelden hiervan zijn de vlucht van het paard als het iets hoort ritselen in de bosjes en de kat die een muis vangt. Een wilde kat jaagt en vangt een prooi en sleept deze naar zijn hol voor de jongen. De huiskat krijgt zijn eten en heeft geen nest en toch komt hij thuis met een vogel. Vaak spelen ze er alleen mee en doden het diertje niet. Het is instinctief gedrag. Door de domesticatie weet de kat verder niet wat hij met de prooi moet doen.

Instinct is een aangeboren gedrag dat erfelijk is bepaald. Anders gezegd: instinct is een aangeboren drift om onbewust en doeltreffend te handelen. Instinctgedrag heeft een aantal specifieke eigenschappen:
- De handeling verloopt altijd op dezelfde manier, ongeacht de omstandigheden.
- De handeling is gericht op overleven.
- Er is geen leerproces aan vooraf gegaan.
Hoe minder een dier ontwikkeld is in de evolutie, hoe groter het instinctief gedrag is. Een lagere diersoort, zoals een vis, zal zich meer volgens vaste patronen gedragen dan een hoger diersoort als de wolf. De opgedane ervaring zal bij de wolf een belangrijkere rol spelen bij zijn gedragingen. Soms wordt het gedrag van onze huisdieren als dom of nutteloos beschouwd, soms vraagt men zich af waarom het dier zich op een bepaalde manier gedraagt. Bijvoorbeeld: een paard slaat op hol. Het op hol slaan van een paard likt een geheel nutteloze handeling, maar dit is het niet. Paarden zijn vluchtdieren. Een paard zal bij gevaar geen gevecht aangaan, maar vluchten. Dit gedrag redt heel vaak hun leven. In feite is het dus slim gedrag en niet dom. Gedrag dat we niet zonder meer kunnen begrijpen, moet dus meestal beter bekeken worden. Veel van dit gedrag is erfelijk. Veel erfelijk gedrag dient ervoor om te overleven.
De domesticatie heeft het gedrag dat nauw samenhangt met de erfelijkheid,in de loop van detijd beïnvloed. Bijna elke hond kan blaffen, maar in de natuur zal de wolf nauwelijks blaffen. De wolf moet stil zijn om zichzelf niet te verraden. Jachthonden echter, bijvoorbeeld beagles, zijn gefokt om juist veel te blaffen zodat zij het wild opjagen. Door selectief fokken is dit gedrag in de genen opgeslagen en is het dus erfelijk bepaald. Wij, als mens, kunnen dus invloed uitoefenen op het gedrag van dieren door bepaalde fok- programma’s. Dit gebeurt bij honden en katten, maar ook bij productiedieren. Honden bijvoorbeeld worden op bepaalde karaktereigenschappen gefokt. Denk maar eens aan waakhonden, veehoeders of gezelschapshonden. Deze honden vertonen bepaalde gedragingen die typerend zijn voor een bepaald karakter van een ras.

Elk dier heeft bij de geboorte een pakketje instinctief gedrag meegekregen. Zo zullen de meeste dieren tegen elkaar aan liggen om warm te bliven, direct na de geboorte op zoek gaan naar de moedertepel en snel leren opstaan. Jonge vogels sperren, bijvoorbeeld, de bekjes open, zodat de ouders er voedsel kunnen instoppen. Onder invloed van de domesticatie en de omgeving worden sommige instinctieve gedragingen afgezwakt, soms verdwijnen ze zelfs voor een deel. Wilde varkens wroeten bijvoorbeeld vaak in de grond. Zij zoeken op deze manier hun voedsel bij elkaar. De varkens als huisdieren krijgen hun voedsel van de eigenaar en hoeven niet al wroetend hun voedsel te zoeken. Ze wroeten nog wel met hun snuit in de modder, maar niet zo veel als hun wilde voorouders. Het instinctieve gedrag is afgezwakt.

6.1.2  Gedrag bepaald door milieu (uitwendige prikkels)
Het milieu waarin een dier leeft, beïnvloedt het gedrag. Dit kunnen bepaalde bewegingen zijn, de omgevingstemperatuur of geuren. Een bepaalde stimulans uit een omgeving geeft een reactie van een dier. De stimulans vanuit de omgeving wordt waargenomen door de zintuigcellen. Het paard vlucht bijvoorbeeld als hij beweging in bosjes registreert. De jachthond raakt in beroering als hij een konijnenspoor ontdekt. De uitwendige prikkels neemt een dier waar door licht, geluid, smaak, gevoel en reuk. Uitwendige prikkels worden door de zintuigcellen waargenomen en doorgegeven aan zenuwcellen. De informatie wordt door het centraal zenuwstelsel (de hersenen en het ruggenmerg) verwerkt. Hierna wordt er in de hersenen besloten om er wel of niet op te reageren. Als het dier er wel op moet reageren, dan gaat er een zenuwsignaal naar het desbetreffende orgaan, bijvoorbeeld naar een spier. Hierdoor kan het dier reageren. Deze reactie is een bepaald gedrag. Ook de toestand waarin een dier verkeert, bepaalt het gedrag. Een uitgemergeld dier zal een andere reactie geven op een bak voer dan een verzadigd dier. Een dier dat altijd opgesloten is, zal zich anders gedragen dan een dier dat meer vrijheid heeft. Een dier dat mishandeld wordt, zal zich anders gedragen dan een dier dat op de juiste wijze wordt behandeld.

De huisvesting kan dus het gedrag van een dier beïnvloeden. Denk maar aan een te volle muizenkooi. Het gedrag van de muizen zal in dit geval veel agressiever zijn dan bij huisvesting met voldoende ruimte. In oude dierentuinen zitten soms dieren in een te kleine behuizing. Bekend is het effect van ‘ijsberen’: de beer die maar heen en weer of in rondjes loopt. Dit komt door een te kleine woonruimte.
Een hond die altijd opgesloten zit in een kennel en weinig aandacht krijgt, kan dit gedrag ook gaan vertonen. Ook uit verveling kunnen dieren bepaald afwijkend gedrag vertonen. Zo kunnen varkens bij elkaar op de oren en staarten knabbelen, soms zo erg dat er ernstige verwondingen ontstaan. Ook het zogenaamde ‘weven’ bij paarden die op stal staan, is afwijkend gedrag. Weven is het heen en weer bewegen op de voor- benen. Dit gedrag ontstaat vaak uit verveling. Dit soort gedrag kan ook als een vorm van neurose worden gezien. Neurose is afwijkend gedrag als reactie op een bepaald gevoel, bijvoorbeeld stress.
Vooral de ervaringen die een dier op jonge leeftijd opdoet, zijn zeer bepalend voor het gedrag van het volwassen dier. De opvoeding van onze huisdieren speelt dus ook een rol in het gedrag. Opvoeden blikt niet altijd even gemakkelijk te zijn. Het kan zelfs zo zijn dat het dier ongewenst gedrag gaat vertonen. Om een dier op te voeden of probleemgedrag aan te pakken, zal de eigenaar meer moeten weten over het gedrag van deze dieren in het algemeen. Als de eigenaar het gedrag van een dier beter begrijpt, kan hij het dier beter dingen aanleren, maar ook beter afleren. Hierin hebt u, als dierenartsassistent, een adviserende taak.

6.1.3  Gedrag bepaald door inwendige prikkels

Ook inwendige prikkels leiden tot een bepaald gedrag. Deze prikkels worden door hormonen aan het lichaam kenbaar gemaakt. Voorbeelden van inwendig prikkels zijn honger of dorst. Het hongergevoel zet aan tot eten, het dorstgevoel zet aan tot drinken. Bepaalde orgaanstelsels kunnen invloed uitoefenen op het gedrag. Zo spelen ge- slachtshormonen een belangrijke rol in het gedrag. Denk maar aan het gedrag van een krolse poes of een loopse teef. Een krolse poes is extra aanhalig en een loopse teef zal meer, kleine plasjes doen om haar geur af te geven dan een teef die niet loops is. Door dit gedrag laten de poezen en de teven de katers en de reuen weten dat ze bereid zijn om te paren.

De geslachtshormonen zorgen ook voor afgifte van geurstoffen. Deze stoffen hebben een grote aantrekkingskracht op andere dieren. Zij krijgen bijvoorbeeld nesteldrang. Ze gaan dan allerlei materialen verzamelen voor hun nest. Ze kunnen aanhankelijker en aanhaliger worden of juist afstand nemen en iets agressiever worden. Bij het mannelijke dier zien we vaak imponeergedrag. Zo staan runderen vaak zijdelings, in tegenovergestelde richting ten opzichte van elkaar, elkaar te besnuffelen en te likken. De stier onderneemt een aantal pogingen om op de koe te springen. Zij zal dit niet meteen toestaan en geeft dit aan door een paar keer weg te lopen.

6.2      Taal
Dieren die sociaal gedrag hebben, zullen moeten communiceren. Communicatie wordt gedaan door middel van taal. Taal bestaat uit de geluiden die dieren en mensen maken, maar ook uit de lichaamstaal. Mensen maken vooral gebruik van geluiden. Onze taal is waarschijnlijk de best ontwikkelde taal. Maar ook mensen maken gebruik van lichaamstaal. Veel dieren maken dus geluiden. De geproduceerde geluiden kunnen verschillende toonhoogten en verschillende ritmes hebben. De geluiden zijn bedoeld om te communiceren, meestal met de soortgenoten. Door bepaalde houdingen van de oren, de staart of een ander deel van het lichaam geeft het dier bepaalde stemmingen weer of geeft het bepaalde signalen af. In dit hoofdstuk bespreken we de geluiden die dieren maken onder het kopje ‘Taal’. ‘Lichaamstaal’ wordt steeds apart behandeld.

Communicatiestoornissen
Soms loopt de communicatie niet goed. Dat is niet alleen bij mensen het geval, maar ook bij dieren. Vooral bij honden onderling zien we dat er soms communicatiestoornissen optreden. Hoewel couperen van staarten verboden is, zijn er nog wel dieren waarbij de staart is gecoupeerd. Bij dieren met een gecoupeerde staart komen communicatiestoornissen vaker voor. Een staart geeft immers veel aanwijzingen hoe een dier zich voelt. Ook als de staart een andere vorm heeft, kunnen er communicatiestoornissen optreden.

Als bij de buldog de staart heel klein gefokt is, is het niet meer duidelijk wat voor lichaamstaal de hond uitdrukt met zijn staart. De buldog kan zijn staart immers niet tussen de poten houden als een onderdanigheids- of angstsignaal. Dit kan dan door een tegenstander verkeerd worden begrepen.


Een ander voorbeeld: windhonden dragen hun staart tussen de benen. Zijn windhonden altijd onderdanig of bang?

Ook zijn er honden, zoals de Engelse cocker spaniel, met heel lange oren. Hierdoor is de lichaamstaal met de oren moeilijk verstaanbaar. Bij de kat zien we ook communicatiestoornissen.Bijvoorbeeld bij de staartloze manx en bij de Scottish fold. Bij de Scottish fold hangen de oren omgevouwen omlaag.

6.3   Basisgedragselementen

In deze paragraaf worden verschillende algemene gedragselementen die bijna elk dier heeft, besproken. Het gedrag op zich is wel weer diersoort specifiek. Zo slaapt ieder dier. Slapen is een algemene gedragsuiting. Alleen zal het ene dier lang en diep slapen, zoals een roofdier. Anderen, zoals de hoefdieren, zullen kort slapen en kunnen zelfs staande slapen. Bij gevaar kunnen hoefdieren direct vluchten, de roofdieren hebben minder natuurlijke vijanden en kunnen daardoor dus rustiger slapen of liggen. De onderstaande gedragsuitingen kunnen bij elke diersoort versterkt vertoond worden of juist in een afgezwakte vorm tot uiting komen.

6.3.1  Vachtverzorgingsgedrag

Onder vachtverzorgingsgedrag wordt de verzorging van het lichaam verstaan. Vogels verzorgen het verenkleed, andere dieren vlooien, poetsen en/of likken de vacht. De functies van dit gedrag zijn het schoonhouden van de vacht en het verwijderen van parasieten. Bij vogels heeft dit gedrag nog een andere belangrijke functie: het zorgt ervoor dat het verenkleed isolerend en waterafstotend wordt gehouden. Dit doen ze door met de snavel langs bepaalde klieren te gaan die talg en vet uitscheiden. De talg en het vet worden vervolgens over het verenkleed uitgespreid. Sommige hogere diersoorten verzorgen bij elkaar de vacht, vaak op plaatsen waar het dier zelf niet bij kan. De functie van dit gedrag gaat verder dan het verzorgen van de vacht. Met dit gedrag wordt ook de onderlinge band verstevigd en laten de dieren merken dat ze elkaar verdragen of elkaar goed gezind zijn. Dit vachtverzorgingsgedrag doen mensen ook bij hun huisdieren door het dier te aaien, te borstelen of te kammen.

6.3.2   Voedselgedrag

Voeding is een van de vereisten om te kunnen overleven. De huisdieren krijgen hun voedsel van de mensen en hoeven hier niet meer zo veel moeite voor te doen als de wilde dieren. Toch zien we vaak nog bepaalde instincten terug. Denk maar aan de kat die met een muis thuiskomt, het ‘hamsteren’ bij sommige knaagdieren (een extra voedselvoorraad aanleggen) en het uitwerken van een konijnenspoor bij honden.
Gedrag dat men tegenkomt bij sommige hoefdieren, zoals het rund, is het herkauwen van voedsel. Prooidieren, zoals runderen, moeten snel voedsel tot zich te nemen, omdat er altijd een roofdier kan komen. Het herkauwen gebeurt op een rustige plaats of ‘s nachts. Het voedsel wordt door het herkauwen beter verteerd.

6.3.3  Het vermijden-van-een-roofvijandgedrag

Prooidieren zullen altijd proberen om hun vijand te vermijden. Dit gedrag kan zich uiten in verstoppen of vluchten, zoals een koning die zijn hol in schiet of het op hol slaan van een paard. Ook het voor de gek houden of het in verwarring brengen van een roofdier behoort tot dit gedrag. Een moedereend kan bij het zien van een roofdier doen alsof ze gewond is. Het roofdier wordt weggelokt van het nest jonge eenden en gaat het - zogenaamde - gewonde dier achterna. Tot zijn verbazing vliegt dit gewonde dier ineens heel gezond weg.
Dit vermijdingsgedrag wordt bij de huisdieren zoveel mogelijk weggefokt, omdat het vaak niet gewenst is. We willen geen bange dieren in huis. Toch heeft elk prooidier deze instinctieve gedragingen sterk in zich. Een hamster zal zich, bij bedreiging, verstoppen onder een hoop zaagsel of in een pip of buis. Ook paarden kunnen nog steeds onverwachts op hol slaan.

6.3.4  Defaecatiegedrag

Het zich ontdoen van uitwerpselen (faeces) wordt defaecatie genoemd.Dit gedrag verschilt van dier tot dier. Sommige dieren laten hun uitwerpselen overal en altijd vallen, bij andere dieren is dit gedrag tijd- en/of plaatsgebonden. Sommige dieren hebben een speciale mestplaats, zoals konijnen. Dieren bevuilen niet graag hun rustplaats. Een hond zal nooit zijn slaapplaats bevuilen met uitwerpselen of urine en paarden hebben vaak een bepaalde hoek in hun box waar zij hun uitwerpselen deponeren. Als een dier is vastgebonden, kan dit frustratie opleveren omdat hij genoodzaakt is om te defaeceren op zijn rustplaats.

Defaecatiegedrag kan ook de functie hebben om een gebied (het territorium) af te bakenen. Bekend is het gedrag van een reu die overal zijn poot oplicht om wat urine te deponeren. Ook het sproeien van katten heeft ditzelfde doel.

6.3.5  Seksueel gedrag

Seksueel gedrag uit zich in hofmakerij. Denk bijvoorbeeld aan het baltsgedrag bij vogels. Door dit gedrag onderzoeken dieren de bereidwilligheid van een uitgekozen partner.
Er zijn diersoorten die een partner voor het leven kiezen; andere paren verlaten elkaar direct na de paring. Bij de huisdieren wordt de partner door de mens geselecteerd. Soms wil een dier niet paren met een ander dier, soms is het moeilijk om de gekozen dieren bij elkaar te brengen. Kunstmatige inseminatie (kunstmatige bevruchting) wordt niet alleen toegepast bij landbouwhuisdieren, maar ook bij de kleine-huisdierenfokkerij. Een dier dat geen partner heeft, kan seksueel gedrag vertonen. Denk maar aan het ‘rijden’ tegen de benen van een mens door een hond en het bespringen van een spiegel waarin hij zichzelf ziet, bij een parkiet.

6.3.6  Nestelgedrag

De meeste dieren hebben de drang om nesten te bouwen op eenbepaalde plaats. Zo sleept een (schijn)drachtige teef soms met kleedjes en dergelijke naar haar mand. Dit gedrag wordt opgewekt door hormonen. De teef zal dit gedrag vertonen na de loopsheid, als ze schijndrachtig of drachtig is. Ook ander gedrag kan door deze hormonen veranderen. Dit is heel verschillend per diersoort, maar soms ook per individu. De teef kan aanhankelijk worden, maar ook juist afstandelijk of zelfs iets agressief. Vogels bouwen een nest op een speciaal uitgekozen plaats. Zo willen kippen hun eieren leggen op een geschikte nestplaats. Dit kan in de intensieve pluimveehouderij soms een probleem geven, omdat de kippen hun eieren in de leggoot moeten leggen. Nestelgedrag uit zich ook op andere manieren. Veel diersoorten verzorgen hun nakomelingen. Ze voeden, likken en beschermen hun jongen en houden de omgeving van het nest schoon. De pasgeboren pup wordt door de teef schoongelikt. De teef likt het buikje van de pup ook om de uitscheiding van de uitwerpselen te stimuleren. Bij in groepen levende dieren kan de zorg overgenomen worden door een ander volwassen dier.

6.3.7   Agressie - en dreiggedrag
Bij agressief gedrag zal een dier in een aanvalsstaat verkeren. Agressief gedrag kan verschillende oorzaken hebben. Vaak gaat er eerst een waarschuwing aan vooraf (dreiggedrag). Het kan zijn dat de tegenstander zich niet overgeeft en dus geen onderdanig gedrag vertoont. Vaak kan dit een reden zijn om over te gaan tot de aanval. Dreigen soms, agressiegedrag komen vaak voor bij de wedijver om voedsel of drinken, of als een dier of persoon het gebied binnendringt van het dier. Ook komt dit gedrag voor bij dominantie. Agressie wordt bij bedreiging van het dier of van de jongen getoond ter verdediging. Verder zien we agressief gedrag van een roofdier als deze zijn prooi vangt. Prooigedrag echter gaat niet gepaard met een waarschuwing vooraf.

Vaak wordt er niet overgegaan tot een echte aanval. Alleen bij het vangen van een prooi wel. Het dier zal meestal eerst dreigen en daarna overgaan tot een schijngevecht. Dit kan gezien worden als een krachtsmeting. Hierbij zullen dieren elkaar zelden beschadigen. Een van hen zal zich vaak al in dit schijngevecht overgeven. Soms zullen de dieren overgaan tot een echt gevecht.
Een dier dat zich overgeeft, zal dit laten zien door te vluchten of door een onderdanige houding aan te nemen. Schijngevechten worden ook vaak onderling gehouden en kunnen gezien worden als een soort spel waarin de dieren elkaar duidelijk maken welke positie ze binnen de groep hebben.

6.3.8  Dominantiegedrag

‘Dominantie’ betekent letterlijk ‘overheersing’. Dominante dieren zijn dus de baas over andere dieren. Dit uit zich door te imponeren, zich groot te maken en door het afbakenen en bewaken van het territorium. Verder zijn ook voorop lopen, als eerste eten, aan anus of geslachtsdelen snuffelen, initiatief nemen en als eerste paren, tekenen van dominantie.
Binnen groepen sociaal levende dieren heerst vaak een specifieke rangorde. De hoogste in rang, de leider, is de dominantste. Vaak is dit een mannelijk dier. Dat wil overigens niet zeggen dat een lager geplaatst dier geen dominante eigenschappen kan vertonen. Elk dier bezit een aantal dominante en onderdanige eigenschappen. Dominantie bestaat ook alleen als er onderdanigheid is.

6.3.9  Onderdanigheidsgedrag

Onderdanigheidsgedrag toont een dier tegenover een ander om duidelijk te maken dat de ander de meerdere is. Dit gedrag kan zich uiten door het zich zo klein mogelijk maken, zich afwenden van de tegenstander, het verbreken van oogcontact of door het aanbieden van de keel of de geslachtsdelen.

Ook onderdanigheidsgedrag is gericht op overleven. Als dieren geen onderdanige houding zouden aannemen, dan zouden ze elkaar doodvechten. Elk dier kan onder- danig gedrag vertonen. Door dit gedrag stopt de aanvaller (meestal) zijn aanval.

6.3.10 Onderlinge communicatie

Dieren van een en dezelfde soort communiceren onderling. Dit kan zijn door taal, lichaamsuitdrukkingen en bepaalde gedragingen. Dit is niet altijd een gezellig praatje onderling, zoals mensen dat kennen. Het gaat hier om het afgeven van signalen, zoals alarmering en dreiging. Dieren die in groepsverband jagen, bijvoorbeeld wolven, zullen door onderlinge communicatie de jacht op elkaar afstemmen. Onderlinge vacht- verzorging is ook een teken van onderlinge communicatie.

6.4   Conflictsituaties

Er zijn soms situaties waarin een dier op hetzelfde moment verschillende prikkels vanuit de omgeving krijgt. Elke prikkel wekt z’n eigen specifieke gedraging op. Soms komen die niet met elkaar overeen. Het dier raakt in een conflictsituatie waarbij het dier specifiek gedrag kan gaan vertonen. We bespreken drie soorten gedrag die in conflictsituaties kunnen ontstaan, namelijk ambivalent gedrag, overspronggedrag en intentiebewegingen.

6.4.1  Ambivalent gedrag

‘Ambivalent’ betekent letterlijk ‘dubbelwaardig’. Bij ambivalent gedrag neemt een dier twee verschillende houdingen aan die ieder een eigen waarde hebben. Zo gebeurt het vaak dat een dier bij een dreiging een aanvallende houding aanneemt en tegelijk overgaat in een terugtrekkende houding. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een hond die wordt bedreigd door een andere hond. De hond ontbloot zijn tanden en gromt hierbij. Ook kan deze hond zich tegelijkertijd klein maken en de staart tussen de poten draaien.
De hond laat dan tegelijk een onderdanig gedrag en een dominant gedrag zien. Deze hond heeft een conflict tussen aanvallen of wegvluchten.

Een ander voorbeeld:
Een vrouwelijk dier betreedt het gebied van een mannetje van dezelfde diersoort. Eigenlijk is het vrouwtje een indringer en het mannetje zal het dier willen verjagen. Maar in het voortplantingsseizoen zal het vrouwtje ook seksueel gedrag bij het mannetje opwekken. Het mannetje zit vervolgens in een conflictsituatie: zal het agressief of een seksueel gedrag gaan vertonen? Het kan zijn dat het dier zich agressief opstelt en vervolgens overgaat tot hofmakerij.

6.4.2  Overspronggedrag

Ook bij het overspronggedrag zit een dier in een conflictsituatie. Bij overspronggedrag zal het dier echter heel ander gedrag vertonen dan men zou verwachten. Een voorbeeld maakt dit duidelijk.

Twee hennen worden in een kleine ruimte geplaatst. De neigingen tot aanval- en vluchtgedrag zijn heel sterk. Het kan zijn dat beide gedragingen niet getoond worden, maar dat zij heel druk bezig gaan met eten.
Ze tonen dan een totaal ander gedrag dan men zou verwachten. Op deze manier stappen ze over het conflict heen. Dit gedrag noemt men overspronggedrag.

Een ander voorbeeld:
Een hond is aan het wandelen en ruikt lekkere geurtjes. Op dat moment wordt hij door de baas geroepen. Het levert de hond een conflict op. Zal hij doorgaan met waar het mee bezig was of zal hij naar de baas gaan? Als een hond geen van beide doet, maar ervoor kiest om een plasje te doen, zich uit te rekken of druk met zijn poot zijn vacht te krabben, dan is er sprake van overspronggedrag.

Bij overspronggedrag laat het dier geen van de opties zien die horen bij een conflictsituatie. Het gedrag dat op dat moment getoond wordt, is niet functioneel. Een veel gezien overspronggedrag bij bijna alle dieren is het verzorgen van de vacht of het verenkleed.

6.4.3  Intentiebewegingen

Bij een intentiebeweging maakt het dier een aanzet tot een gedragshandeling. Alleen maakt het dier de handeling niet af. Een intentiebeweging geeft de gemoedstoestand van het dier op dat moment aan. Ook een intentiebeweging komt voort uit een conflictsituatie. Eigenlijk kan het dier de handeling niet doen, maar zou het deze wel willen doen.
Ook hier weer een paar voorbeelden ter verduidelijking.
Een paard krijgt van de ruiter een standje door middel van de zweep. Het paard richt zijn voorbenen iets omhoog, maar zet deze beweging niet door. Het paard wil eigenlijk in opstand komen door te steigeren en zal dit waarschijnlijk ook doen bij een tweede standje. Het geeft een indicatie van de gemoedstoestand van het dier op dat moment.

Een ander voorbeeld:
Soms klapperen vogels met hun vleugels en komen hierbij iets van de grond af. Dit is een aanzet tot vliegen, alleen wordt de beweging niet afgemaakt.

Intentiebewegingen kunnen ook een gewoonte zijn, een ritueel dat vooraf gaat aan een bepaald gedrag. Denk hierbij maar aan een hond die rondjes draait, voordat hij gaat liggen.

Door de grootte van het hoofdstuk is niet alle tekst die nodig is om de vragen te beantwoorden weergeven.

Verwerkingsopdrachten
1 a   Wat is gedrag?
   b   Hoe kan gedrag zich uiten?

2      Door welke drie factoren wordt gedrag bepaald?

3 a   Wat is instinctief gedrag?
   b   Noem drie specifieke eigenschappen van instinctief gedrag.

4 a    Hoe neemt een dier uitwendige prikkels waar?
   b    Op welke manier kan huisvesting het gedrag van een dier beïnvloeden?

5       Hoe neemt een dier inwendige prikkels waar?

6       Noem vijf gedragselementen die bijna elk dier heeft.

7       Welke soorten gedrag kunnen ontstaan in conflictsituaties?

8       Wat wordt bedoeld met een hiërarchie binnen een groep samenlevende dieren?

9 a    Welke twee leerprocessen liggen ten grondslag aan het conditioneren van dieren?
   b    Geef van beide leerprocessen een voorbeeld.

10     Waarom is het belangrijk om tijdens de training van dieren consequent te zijn?

Uitwerkingen verwerkingsopdrachten - hoofdstuk 6
1a       Alle uitingsvormen van dieren die als uiteindelijk doel hebben om de soort in stand te houden, noemen we gedrag.
b         Gedrag uit zich in waarneembare gedragingen, zoals bepaalde lichaamshoudingen, het produceren van geluiden en uiterlijke veranderingen.

2         Gedrag wordt bepaald door erfelijke factoren, uitwendige prikkels (omgeving) en inwendige prikkels.

3a       Instinctief gedrag is gedrag dat voortvloeit uit het instinct. Het instinct is een aangeboren drift om onbewust en doeltreffend te handelen.
b         Instinctgedrag heeft een aantal specifieke eigenschappen:
• De handeling verloopt altijd op dezelfde manier, ongeacht de omstandigheden.
• De handeling is gericht op overleven.
• Er is geen leerproces aan vooraf gegaan.

4a       De uitwendige prikkels neemt een dier waar door licht, geluid, smaak, gevoel en reuk. Uitwendige prikkels worden door de zintuigcellen waargenomen en doorgegeven aan zenuwcellen. De informatie wordt door het centraal zenuwstelsel (de hersenen en het ruggenmerg) verwerkt.
b         Ook de toestand waarin een dier verkeert, bepaalt het gedrag. Als een dier bijvoorbeeld in een te kleine behuizing zit, zal het bepaalde prikkels waarnemen die van invloed zijn op zijn gedrag. Denk bijvoorbeeld aan het zien van veel soortgenoten, of het meemaken van veel vechtpartijen.

5         Inwendige prikkels worden door hormonen aan het lichaam kenbaar gemaakt.

6         Basisgedragselementen zijn:

  • vachtverzorgingsgedrag;
  • voedselgedrag;
  • het vermijden-van-een-roofvijandgedrag;
  • defeacatiegedrag;
  • seksueel gedrag;
  • nestelgedrag;
  • agressie- en dreiggedrag;
  • dominantiegedrag;
  • onderdanigheidsgedrag; 

7         Voorbeelden van conflictgedrag zijn ambivalent gedrag, overspronggedrag en intentiebewegingen.

8         Bij groepen dieren waarbij de afzonderlijke dieren elkaar concurreren voor voedsel of partners, is er sprake van een sociale hiërarchie. ‘Hiërarchie’ is een ander woord voor ‘rangorde’. Er is dus een bepaalde rangorde tussen de dieren onderling. Degene die het hoogst staat in de rangorde mag bijvoorbeeld als eerste eten, drinken en paren.

9a       klassieke en operante conditionering
b         Voorbeelden van klassieke conditionering
Als een hond uitgelaten wordt, trekt zijn baas altijd eerst zijn jas aan. De hond zal in eerste instantie niet reageren op het aantrekken van de jas. Wel als dit telkens herhaald wordt bijj het naar buiten gaan. Op een gegeven moment zal de hond bijj het aantrekken van de jas al opspringen en meelopen.
Of als een kat eten krijgt, loopt de baas altijd eerst naar de koelkast. Op een gegeven moment kan het lopen van de baas naar de koelkast al voldoende zijn voor de kat om naast zijn etensbakje te gaan zitten.

Voorbeelden van operante conditionering
Als een loslopende hond, bijvoorbeeld, vanzelf naar de eigenaar toe komt en de eigenaar beloont dit gedrag direct, dan zal de hond vaker naar de eigenaar toe komen. Belonen kan bestaan uit allerlei zaken: het geven van iets lekkers, een click met een clicker, het woordje ‘braaf’ (op een speciale manier gezegd), een spelletje of een schouderklopje.
Of een poes is gewend om beloond te worden als zij op de kattenbak gaat. Hierdoor zal zij vaker zelf naar de kattenbak gaan (en daarna vragen om haar beloning).

10       Het bewust aanleren van commando’s tijdens de opvoeding en training moet consequent gebeuren. De gewenste handeling moet volgens een vast patroon uitgevoerd te worden. Het commando ‘Liggen’ kan niet de volgende keer afgewisseld worden door het commando ‘Af’. Het dier zal dit niet kunnen associëren met het gaan liggen.

Huiswerkvragen
1         Lees de volgende zinnen. Welke zijn is juist?
A         Dieren kunnen, net als mensen, met hun gedrag spit uitdrukken.
B         Het uiteindelijk doel van gedrag bij dieren is het in stand houden van de soort.
C         Instinctief gedrag is elke keer anders.
D         Uitwendige prikkels worden door hormonen waargenomen.

2         Hieronder staan gedragingen. Welk gedrag is een voorbeeld van instinctief gedrag?
A         een hond die blaft als de deurbel gaat
B         een kat die op de kattenbak plast
C         een paard dat bij schrik op hol slaat
D         een varken dat de staart van zijn soortgenoot afbijt



3   Maak de volgende zijn af. Van een wild dier een huisdier maken, heet ...
A   evolutie.
B   operant conditioneren.
C   klassiek conditioneren.
D   domesticatie.

4    Hieronder staan verschillende gedragingen. Welk gedrag wordt door een inwendige prikkel veroorzaakt?
A    Een jachthond gaat achter een konijn aan.
B    Een paard slaat op hol doordat er een auto met een aanhanger voorbij ridt.
C    Een krolse poes is extra aanhalig bij haar eigenaar.
D    Een buldog wordt aangevallen door een dominante hond.

5    Wat is antropomorfisme?
A    de leer van het gedrag
B    de leer van de erfelijkheid
C    een ander woord voor domesticatie
D    het vermenselijken van dieren

6     Uit welke elementen bestaat de communicatie van de dieren?
A     lichaamstaal en geluiden
B     houding van het lichaam
C     inwendige en uitwendige prikkels
D     geproduceerde geluiden

7     Lees de volgende zinnen. Welke zin is juist?
A     Vachtverzorgingsgedrag dient er ook voor om de onderlinge band te verstevingen.
B     Voedselgedrag is sociaal gedrag.
C     Het vermijden-van-een-roofvijandgedrag is gewenst gedrag bij onze huisdieren.
D     Defaecatiegedrag bestaat uit hofmakerij.

Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

Je kunt elke dag starten met de Basisopleiding Dierenartsassistent(e) dus zet vandaag nog de eerste stap!

8 redenen om bij het NTI te studeren

  1. Erkende opleidingen, gewaardeerd in het bedrijfsleven
  2. Prettige en deskundige begeleiding door ervaren docenten
  3. Voordelig lesgeld
  4. Flexibel studeren
  5. Studeren met veel persoonlijk contact
  6. Modern studeren via onze online leeromgeving
  7. Persoonlijke studiebegeleiding van een mentor
  8. Studeren op kosten van de werkgever en/of de fiscus
1 / 22