MBO Verpleegkundige

Proefles: MBO Verpleegkundige

Leuk dat je een proefles hebt aangevraagd! Met deze proefles krijg je een indruk van de opleiding verpleegkundige. Je krijgt inzicht in de lesstof. Je kan ook vragen maken en deze zelf nakijken. Mocht je andere vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Heel veel succes en plezier met de proefles!


Theorie: Het bloed

Tijdens MBO Verpleegkundige leer en werk je onder andere uit het boek Anatomie en fysiologie. In deze proefles neem je een kijkje in de theorie uit dit boek. Over de theorie van het onderwerp: het bloed beantwoord je een aantal vragen, die je verderop in deze proefles kunt nakijken.

Anatomie en fysiologie | MBO Verpleegkundige

Het bloed fungeert in het lichaam als een transportmiddel voor allerlei stoffen. Er zitten diverse stoffen in die een rol spelen bij het stollingsproces en bij de afweer tegen lichaamsvreemde stoffen. Een volwassene heeft gemiddeld zo'n 4 tot 6 liter bloed. Dat is ongeveer 6% van het lichaamsgewicht (ruim 5 liter bij iemand van 70 kg).

Samenstelling van het bloed
Bloed is een vrij dikke, rode vloeistof die niet doorschijnend is. Het is samengesteld uit vloeibare en vaste bestanddelen. Het vloeibare deel noemen we het bloedplasma. De twee bestanddelen zijn goed te onderscheiden bij vers bloed in een reageerbuis, waarbij een ontstollingsmiddel is gevoegd. Na enige tijd zakken de vaste delen en ontstaan er twee ongeveer even grote lagen. De bovenste laag is het bloedplasma (bloedvloeistof). De onderste laag wordt gevormd door de bloedcellen.

Bloedplasma (bloedvloeistof)
Het bloedplasma (bloedvloeistof) is lichtgelig van kleur en bestaat voor ongeveer 90% uit water. Hierin is een groot aantal stoffen opgelost, zoals zouten, eiwitten, voedingsstoffen (onder andere glucose en vetten), hormonen en afvalstoffen van de celstofwisseling. De in het plasma opgeloste zouten (vaak elektrolyten genoemd) spelen een belangrijke rol in het constant houden van de zuurgraad (pH) van het bloed. De aanwezige bloedeiwitten (ongeveer 7%) kunnen we in een drietal soorten onderscheiden:

  • albuminen. Albuminen hebben een belangrijke transportfunctie door een binding aan te gaan met bepaalde stoffen.
  • globulinen. Met name de immunoglobulinen (Ig's) spelen een voorname rol bij de vorming van afweerstoffen (antistoffen) en zijn actief bij een infectie. Andere soorten globulinen spelen een belangrijke rol in het bloedstollingsproces.
  • fibrinogeen. Dit is het eiwit dat dient als basisproduct in het bloedstollingsproces.

Bloedplasma dat ontdaan is van de stollingseiwitten, noemen we serum. Dit is dus feitelijk het bloedplasma zonder fibrinogeen. Het bloedserum is dus onstolbaar, maar bevat nog steeds alle andere stoffen. Bij bloedtransfusies wordt daarom regelmatig gebruikgemaakt van bloedserum.

Bloedcellen
De bloedcellen vormen de vaste bestanddelen van het bloed. Het volumepercentage van deze bloedcellen ten opzichte van het plasma wordt het hematocriet genoemd.
Er zijn vele soorten bloedcellen te onderscheiden. Meestal worden ze in de drie volgende groepen verdeeld:

  • rode bloedcellen (erytrocyten);
  • witte bloedcellen (leukocyten);
  • bloedplaatjes (trombocyten).

Rode bloedcellen
De rode bloedcellen (erytrocyten) vormen het grootste deel van de bloedcellen. Bij een volwassen man bevinden zich ongeveer vijf miljoen rode bloedcellen in een kubieke millimeter (de inhoud van een speldenknop). Bij een vrouw zijn dit er iets minder (ongeveer 4,5 miljoen).
De erytrocyten zijn verantwoordelijk voor de rode kleur van het bloed. Ze bevatten de zogenaamde hemoglobine, die ook wel bloedkleurstof wordt genoemd. Hemoglobine is (deels) opgebouwd uit ijzer en heeft een belangrijke transportfunctie. Zij zorgt voor het transport van de ademhalingsgassen zuurstof en koolstofdioxide. In de longen komt de hemoglobine in een omgeving waar veel zuurstof is (de longblaasjes). Zij bindt het zuurstof aan zich en transporteert het naar de cellen, die het nodig hebben voor hun stofwisseling. Zolang de hemoglobine aan zuurstof gebonden is (oxyhemoglobine), heeft ze een heldere rode kleur. Bij de cellen laat de hemoglobine het zuurstof weer los, zodat ze opgenomen kan worden door de cellen.

Bij de celstofwisseling komt (onder andere) koolstofdioxide vrij als afvalstof. Het grootste deel wordt afgevoerd naar de longen door het te binden aan een opgeloste stof in het bloedplasma, het zogenaamde natriumbicarbonaat. Het zuurstofarme (koolstofdioxiderijke) bloed heeft een donkerrode kleur. Het zeer giftige koolmonoxide hecht zich zeer snel aan hemoglobine. Zuurstof maakt dan geen schijn van kans. Koolmonoxide is reukloos en komt ook voor in sigarettenrook. Dit verklaart de verminderde conditie en slechtere doorbloeding van rokers.

De rode bloedcellen worden aangemaakt in het rode beenmerg van de platte beenderen. Het proces van de ontwikkeling van erytrocyten noemen we de erytropoëse. Voor de aanmaak van rode bloedcellen is behalve ijzer ook een voldoende opname van vitamine B12 en foliumzuur vereist. Een typerend kenmerk van volwassen rode bloedcellen is dat ze geen kern meer bezitten. De totale levensduur van rode bloedcellen is ongeveer 120 dagen. Daarna worden ze afgebroken in de lever en de milt. Hierbij komt de hemoglobine vrij, dat uiteenvalt in ijzer en de zogenaamde bilirubine. Het ijzer kan (deels) weer gebruikt worden voor de aanmaak van nieuwe rode bloedcellen. De bilirubine wordt door de lever opgenomen en via de gal uitgescheiden naar de darmen. Zij zorgt (in een chemisch iets veranderde samenstelling) voor de kleur van de ontlasting.

Witte bloedcellen
De witte bloedcellen (leukocyten) zijn in vergelijking met de erytrocyten veel minder talrijk (ongeveer zevenduizend per millimeter). Ze spelen met name een rol bij het bestrijden van ziektekiemen of andere lichaamsvreemde stoffen die het lichaam zijn binnengedrongen. Bij een infectie kan het aantal leukocyten fors stijgen, doordat ze in staat zijn zich explosief te vermeerderen. Onder bepaalde omstandigheden zijn ze in staat om te bewegen.
De witte bloedcellen zijn te verdelen in twee hoofdgroepen op basis van de plaats van aanmaak:

  • de lymfatische cellen (ook B-cellen genoemd). Deze worden aangemaakt in lymfeweefsel en in de milt. Tot deze groep behoren de lymfocyten, die met name actief zijn in het maken van afweerstoffen en een belangrijke rol spelen in het immuniteitssysteem.
  • de myeloïde cellen (ook T-cellen genoemd). Deze worden aangemaakt in het rode beenmerg en de zwezerik (thymus). Hiertoe behoren de monocyten en drie verschillende soorten granulocyten. De functie van deze cellen is vooral het zogenaamde fagocyteren: het omsluiten, opnemen en verteren van lichaamsvreemde stoffen en ziektekiemen. De cellen gaan hierbij meestal wel ten gronde. (De rode bloedcellen en de bloedplaatjes behoren overigens eveneens tot de myeloïde cellen, omdat ze ook in het beenmerg aangemaakt worden.)

Bloedplaatjes
Bloedplaatjes (trombocyten) zijn de kleinste bloedcellen. Hun levensduur bedraagt slechts enkele dagen. De productie van deze cellen vindt plaats in het rode beenmerg, de afbraak in de milt. De vorm van de cel is onregelmatig en heeft net als een rode bloedcel géén kern. Trombocyten spelen een belangrijke rol in de bloedstolling.

Bloedstolling
Bij een verwonding van bloedvaten vinden er twee processen plaats die gericht zijn op het voorkomen van bloedverlies. In eerste instantie vindt er een kramp plaats in de spiervezels van het bloedvat, waardoor er een vernauwing ontstaat en de bloeding vermindert. Dit proces noemt men vaatkramp.
Tegelijkertijd begint het bloedstollingsproces (zie schema). De bloedplaatjes gaan aan elkaar kleven in het defecte vat en vormen een trombocytenprop. Tege­lijkertijd ontstaat er een serie reacties tussen een aantal stoffen. De stoffen die bij deze bloedstolling een rol spelen, noemen we, toepasselijk, de stollingsfactoren. Deze reacties vinden plaats onder invloed van het enzym trombine (géén stollingsfactor), dat wordt gevormd uit de in het bloed aanwezige stollingsfactor protrombine (onder invloed van calcium).

Het in het bloed opgeloste eiwit fibrinogeen vormt een van deze factoren, dat in een keten van reacties wordt omgezet in het onoplosbare eiwit fibrine. Deze fibrine vormt lange draden, die een soort net over het gat in de vaatwand vormen. In dit net worden de trombocytenproppen opgevangen. De fibrinedraden met de trombocytenproppen vormen bloedstolsels. Door de verschillende bloedstolsels worden de mazen van het net gedicht en zal het bloed niet meer buiten het bloedvat kunnen treden.

Bloedstollingsproces | MBO Verpleegkundige

Figuur 1: Eenvoudig schema van het bloedstollingsproces.

Voor het activeren van het stollingsproces is vitamine K van belang. Als een van de factoren afwezig is, ontstaan er problemen in de stolling.

Afweer
Mensen staan constant bloot aan lichaamsvreemde stoffen, bacteriën, virussen, schimmels en parasieten. Een aantal van deze stoffen en beestjes is niet schadelijk voor de mens. Sommige zijn zelfs nuttig. Als de mens er ziek van kan worden, spreken we meestal van ziektekiemen of antigenen. Het lichaam bezit een aantal mechanismen die een bescherming vormen tegen deze antigenen.

De eerste afweer wordt gevormd door het dekweefsel dat de oppervlakkig gelegen delen van het lichaam bekleedt: de huid, slijmvliezen en trilhaarepitheel. Dit dekweefsel vormt een moeilijk doordringbare laag, zodat antigenen niet makkelijk binnen kunnen dringen.

Mocht er toch een indringing (= besmetting) plaatsvinden, dan beschikt het lichaam over witte bloedcellen die ziektekiemen rechtstreeks aanvallen en verwijderen (de monocyten en de meeste granulocyten). Hiervoor maken ze gebruik van een proces dat we fagocytose noemen: de witte bloedcellen eten als het ware de ziektekiemen op en verteren ze. Het afweermechanisme waarbij de witte bloedcellen op deze beide wijzen zelf actief zijn, noemen we de cellulaire afweer. De witte bloedcellen kunnen hiervoor uit de bloedbaan treden en meestal gaan ze ten gronde na de actie. Bij de cellulaire afweer wordt de beste aanpak van de witte bloedcellen onthouden door speciale geheugencellen, waardoor iedere volgende infectie met een eerder overwonnen ziektekiem beter kan worden bestreden. Hierdoor ontstaat een bepaalde mate van immuniteit.

Daarnaast beschikt het lichaam over een afweerapparaat dat antistoffen of antilichamen vormt tegen de antigenen: het immuunsysteem. Dit systeem is in staat om bij een infectieziekte de antigenen te herkennen en antistoffen te produceren die de antigenen onschadelijk maken. Hierbij zijn de leukocyten uit de lymfeklieren en de milt, de lymfocyten, betrokken. Deze produceren de antistoffen zodra het lichaam in aanraking komt met een antigeen. De lymfocyten moeten voor iedere antigeen één speciaal soort antistof ontwikkelen. Men noemt dit het specifiek zijn van iedere antistof. Bij het gebruik van antistoffen tegen ziektekiemen spreken we van humorale afweer (humoraal = met behulp van lichaamsvloeistoffen; in dit geval het bloed).

De antistoffen zijn opgebouwd uit eiwitten die behoren tot de globulinen. Men spreekt dan ook meestal over zogenaamde immunoglobuline (Ig), die op basis van haar structuur in verschillende klassen kan worden onderverdeeld: IgA, IgB, IgD, IgE, IgG en IgM. (Bij een allergische reactie is met name IgE betrokken.) Om een infectie effectief te kunnen aanpakken, moet er een minimale concentratie van de antistoffen in het bloed zijn. De aanmaak hiervan duurt enige tijd: na gemiddeld tien dagen wordt de reactie duidelijk.

De tijd dat de antistoffen in het bloed blijven, verschilt per antistof. Sommige blijven bijna de rest van het leven in het bloed, andere slechts enkele weken. Men spreekt dan van het immuun zijn (immuniteit) voor een bepaalde infectie/ziekte. Na het doormaken van de infectie blijven er ook speciale geheugencellen in het bloed aanwezig. Deze cellen zorgen ervoor dat bij een volgende infectie met hetzelfde antigeen er een soort herinnering is en nieuwe specifieke antistoffen veel sneller aangemaakt worden. Men wordt dan niet of veel minder ernstig ziek.

Immuniteit
Immuniteit is een toestand van het lichaam waarin er een bepaalde mate van bescherming is (van verminderd vatbaar tot onvatbaar) tegen bepaalde antigenen.
Er is een aantal manieren om tijdelijk of voor langere tijd immuun te zijn voor lichaamsvreemde stoffen. Het verkrijgen van antistoffen kan op actieve en passieve wijze plaatsvinden. Ook kan men onderscheid maken tussen een natuurlijke en een kunstmatige manier.

  • Passieve natuurlijke immuniteit
    Het immunologisch systeem verandert voortdurend tijdens het leven. Bij een pasgeborene moet het afweersysteem zich nog ontwikkelen. Van de moeder krijgt het kind voor de geboorte antilichamen via de placenta mee en vooral in de eerste moedermelk bevinden zich veel antistoffen die het kind tijdelijk beschermen. De antistoffen zullen langzaam na enige maanden verdwijnen.
  • Actieve natuurlijke immuniteit
    Deze vorm ontwikkelt zich door het doormaken van de betrokken ziekte. Soms levert dit een onvatbaarheid op voor het leven. Voor andere ziekten kan de immuniteit na verloop van tijd verminderen of zelfs verdwijnen. Sommige virussen laten helemaal geen immuniteit achter, bijvoorbeeld herpes simplex (een koortslip), die steeds weer terug kan keren. Andere antigenen zijn in staat kleine veranderingen in hun structuur aan te brengen, waardoor de antistoffen niet meer kunnen reageren (in verband met hun specificiteit). De griep is hier een goed voorbeeld van.
  • Passief kunstmatige immuniteit
    Deze methode wordt alleen bij patiënten toegepast als er dringend behoefte aan een directe afweer is. Hierbij worden de benodigde antistoffen, het zogenaamde serum, bij een patiënt geïnjecteerd. Het serum wordt verkregen door dieren (meestal paarden of schapen) te infecteren met een bepaald antigeen. Na het doorlopen van de ziekte wordt uit het bloed van deze dieren het serum gehaald (zonder de bloedcellen en stollingseiwitten dus).

    Deze methode heeft twee nadelen. Ten eerste is het mogelijk dat de patiënt na toediening antistoffen gaat produceren tegen lichaamsvreemde eiwitten (bijvoorbeeld albumine) uit het dierlijke serum. Het tweede nadeel is dat de bescherming van korte duur is, omdat de antistoffen een beperkte levensduur hebben van ongeveer twee weken. Soms wordt er ook gebruikgemaakt van antistoffen van mensen die herstellende zijn van een bepaalde ziekte. Deze mensen bezitten hoge concentraties afweerstoffen tegen de ziekte in hun bloed. Door dit bloed van de bloedcellen en bepaalde eiwitten te ontdoen, is het geschikt voor immunisatie.
  • Actief kunstmatige immuniteit: vaccinatie
    Bij gevaarlijke infecties verdient het de voorkeur om de immunisatie te verkrijgen met behulp van vaccinaties. Hierbij wordt gebruikgemaakt van zogenaamde vaccins. Een vaccin is een kleine hoeveelheid van een bepaald virus of een bepaalde ziekteverwekkende bacterie, die sterk verzwakt is. De verzwakking zorgt ervoor dat alleen het ziektemakende vermogen van het antigeen verloren gaat. Het lichaam wordt echter nog wel aangezet tot de aanmaak van de specifieke antistoffen. Er is dus sprake van een actieve reactie in het lichaam die kunstmatig is opgewekt. Er zijn inmiddels vele vaccins beschikbaar en kinderen volgen in de regel een vast vaccinatieschema tegen diverse ziekten (bijvoorbeeld difterie, kinkhoest, tetanus en poliomyelitis/kinderverlamming, afgekort tot DKTP).

    De antistoffen blijven meestal lange tijd in het bloed aanwezig en er zijn daarnaast geheugencellen ontstaan, die bij een hernieuwd contact direct actief worden met aanmaak van nieuwe antistoffen. Na verloop van tijd kan de kracht van de immuniteit afnemen en kan het zinvol zijn om een hernieuwde vaccinatie toe te dienen.

Bloedgroepen
Rond 1900 deed de Oostenrijker Landsteiner bloedonderzoek en ontdekte waarom bij samenvoeging van bloed van twee verschillende mensen klontering (agglutinatie) kan plaatsvinden. Hij kwam tot de ontdekking dat er sprake was van een bijzondere vorm van een antigeen-antilichaamreactie. Er bleken zich in de wand van de rode bloedcellen twee verschillende soorten antigenen te bevinden. Deze twee antigenen worden antigeen A en B genoemd. In het bloedserum van (andere) mensen kunnen zich antistoffen tegen deze antigenen bevinden. Het samenvoegen van bloed waarin een antigeen zit met bloed waarin een antistof tegen dit antigeen zit, leidt tot klontering van het bloed.

Op basis van het wel of niet aanwezig zijn van een of beide antigenen zijn er bij de mens vier soorten bloedgroepen te onderscheiden, het zogenaamde systeem van Landsteiner of het ABO-systeem:

  • bloedgroep A met rode bloedcellen die het antigeen A bezitten;
  • bloedgroep B met rode bloedcellen die het antigeen B bezitten;
  • bloedgroep AB met rode bloedcellen die de antigenen A en B bezitten;
  • bloedgroep O met rode bloedcellen die géén antigenen bezitten.

De bloedgroepen zijn niet gelijk verdeeld en van de Nederlandse bevolking heeft zo’n 42% bloedgroep A, 8% bloedgroep B, 3% bloedgroep AB en 47% bloedgroep O. Het hebben van een bepaalde bloedgroep met bijbehorende antigenen wordt door een erfelijke factor bepaald.
Het bloedserum van een individu heeft geen antistoffen tegen de eventuele antigenen van de eigen rode bloedcellen (dan zou het eigen bloed gaan klonteren), maar wél tegen het ontbrekende antigeen of de ontbrekende antigenen. Zo zal iemand met bloedgroep A antistoffen hebben in het serum tegen antigeen B. Omgekeerd heeft iemand met bloedgroep B antistoffen tegen antigeen A. Het serum van iemand met bloedgroep AB heeft geen antistoffen en bloedgroep O bezit beide soorten antistoffen. (De aanwezigheid van antistoffen is niet erfelijk bepaald, maar de antistoffen ontwikkelen zich direct na de geboorte door contact met antigenen van buiten het lichaam.)

De eigenschappen en de aanwezigheid van de antistoffen en antigenen zijn van groot belang bij bloedtransfusies. Het toedienen van de verkeerde bloedgroep kan fatale gevolgen hebben voor een patiënt. Onder normale omstandigheden krijgen mensen bij een bloedtransfusie bloed van hun eigen bloedgroep toegediend. In noodsituaties is het mogelijk om mensen met de bloedgroepen A, B en AB een andere bloedgroep toe te dienen. Voor een bloedtransfusie worden in een reageerbuisje altijd een paar druppels van de donor en van de ontvanger bij elkaar gebracht, waarna de reactie (het wel of niet klonteren) wordt bekeken na tien minuten. We noemen dit de kruisproef.

Bij een bloedtransfusie hoeft alleen te worden gekeken naar de antigenen bij de donor en de antistoffen bij de ontvanger.
Het transfusieschema in figuur 2 laat zien dat:

  • een persoon met bloedgroep A donorbloed kan ontvangen van een donor met bloedgroep A of O;
  • een persoon met bloedgroep B donorbloed kan ontvangen van een donor met bloedgroep B of O;
  • een persoon met bloedgroep AB donorbloed kan ontvangen van een donor met bloedgroep A, B of O;
  • een persoon met bloedgroep O alleen donorbloed kan ontvangen van een donor met bloedgroep O en géén andere.

Transfusieschema | MBO Verpleegkunde

Figuur 2: Donorschema voor bloedtransfusie.

Iedere donor kan dus bloed geven aan een ontvanger met dezelfde bloedgroep. Verder blijkt dat de bloedgroep O voor iedereen geschikt kan zijn; men spreekt dan ook over een universele donor. Bloedgroep O heeft immers geen antigenen. Bloedgroep AB kan bloed ontvangen van alle soorten bloedgroepen en wordt daarom universele ontvanger genoemd. Bloedgroep AB heeft geen antistoffen, omdat hij beide antigenen zelf al heeft.

Rhesusfactor
Naast het ABO-systeem is er nog een ander bloedgroepsysteem. Dit berust op de aanwezigheid van een ander antigeen in het bloed. Dit antigeen noemen we de rhesusfactor (naar de rhesusaapjes waar dit voor het eerst werd ontdekt). Het rhesusantigeen is bij ongeveer 85% van de mensen aanwezig. We spreken dan over rhesuspositief (Rh+) bloed.

Dit bloedgroepensysteem speelt ook een belangrijke rol bij bloedtransfusies. Een persoon met Rh-negatief bloed die Rh-positief bloed krijgt, gaat antistoffen produceren tegen het Rh-antigeen. Omdat het lang duurt voordat de antistoffen worden gevormd, geeft de eerste bloedtransfusie meestal geen problemen. Bij latere transfusies zal een ernstige reactie optreden.

Problemen bij de zwangerschap
De rhesusfactor heeft vooral bekendheid door de problemen die deze kan veroorzaken bij een zwangerschap. Een Rh-negatieve moeder, die in verwachting is van een Rh-positief kind, zal antistoffen aanmaken na de geboorte. Voor het eerste kind heeft dit geen gevolgen, omdat dit immers al geboren is als bij de moeder de antistoffen ontstaan.

De moeder wordt daarna door de zogenaamde geheugencellen verhoogd gevoelig. Bij een volgende zwangerschap van een Rh-positief kind zal de moeder, na contact met het rhesusantigeen van de rode bloedcellen van het kind, weer antistoffen gaan aanmaken. Aangezien de geheugencellen deze aanmaak aanzienlijk versnellen, zijn er nu al tijdens de zwangerschap antistoffen tegen het rhesus-antigeen in het bloed van de moeder aanwezig. Bij het kind zal bloedafbraak (hemolyse) gaan plaatsvinden en afhankelijk van de ernst kan dit levensbedreigend zijn. Een kind waarbij dit gebeurt, noemen we een rhesuskindje. We kunnen dit voorkomen door bij de moeder een antiserum in te spuiten.


Vragen over het onderwerp: het bloed

Ben je benieuwd of je de theorie goed hebt begrepen? Beantwoord dan de onderstaande vragen. De antwoorden komen later in de proefles terug.

  1. Wat is bloedserum?
  2. Waar worden bij een volwassen persoon rode bloedcellen (erythrocyten) aangemaakt?
  3. Van welke donor mag een ontvanger met bloedgroep O bloed ontvangen?

Bekijk hier de antwoorden

Onderstaand kun je jouw antwoorden controleren.

  1. Wat is bloedserum?
    Bloed zonder fibrinogeen
  2. Waar worden bij een volwassen persoon rode bloedcellen (erythrocyten) aangemaakt?
    In rood beenmerg
  3. Van welke donor mag een ontvanger met bloedgroep O bloed ontvangen?
    Alleen van een donor met bloedgroep O

Studeren op jouw moment

Bij NTI kun jij studeren wanneer het jou uitkomt. Je start met een opleiding wanneer jij dat wilt. Je bepaalt zelf waar en wanneer je studeert in een online leeromgeving en met echte studieboeken. Zo kun jij een opleiding goed combineren met een drukke baan, hobby’s en gezinsleven. Dus echt studeren op jouw moment.

Studeren op jouw moment bij NTI

Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden over MBO Verpleegkundige?

Je kunt elke dag starten met MBO Verpleegkundige, dus zet vandaag nog de eerste stap!

Daarom studeer jij bij NTI op jouw moment

  1. Erkende opleidingen, bekende naam
  2. Studeren met veel persoonlijk contact
  3. Voordelig studeren, transparant over kosten
  4. Flexibel studeren
  5. Overal studeren met onze online leeromgeving
  6. Persoonlijke begeleiding door mentoren en ervaren docenten
  7. Werkgevers zijn snel overtuigd

Neem gerust contact met ons op, als je nog vragen hebt. Succes met het kiezen van je opleiding!

1 / 1