MBO Interieuradviseur

Proefles: MBO Interieuradviseur

Leuk dat je een proefles hebt aangevraagd! Tijdens deze proefles krijg je een indruk van de MBO-opleiding Interieuradviseur. Ook krijg je een aantal vragen over de stof. Verderop in de proefles kun je je vragen nakijken. Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Succes en veel plezier met je proefles!.


Tijdens MBO Interieuradviseur leer en werk je onder andere uit de boeken De basis van het interieurontwerp & Het interieurontwerp uitgewerkt. In deze proefles neem je vast een kijkje in de theorie uit de boeken. Over deze theorie beantwoord je 6 vragen, die je verderop in deze proefles na kunt kijken.

De basis van de interieurvormgeving

Proefles van MBO Interieuradviseur - NTI

Ons huis en interieur zijn zo vanzelfsprekend voor ons dat we er lang niet altijd bij stilstaan hoe belangrijk ze voor ons zijn en hoeveel we er eigenlijk van verwachten. Ga maar na hoeveel kamers u in uw woning hebt en hoe u deze gebruikt. Uw woonkamer bijvoorbeeld heeft misschien wel dertig functies (tv kijken, relaxen, lezen, spelen, praten, muziek luisteren/maken, gasten ontvangen enzovoort).

Toch gaat onze aandacht vaak minder uit naar de functionele kant van de interieurvormgeving, want we willen vooral een mooi interieur. Dat is al lastig genoeg, want beschrijf nu eens wat u mooi vindt en wat helemaal niet en waarom? Voor welke interieurstijl hebt u gekozen?
Wat bevalt er in uw huidige interieur goed? En wat minder? Of helemaal niet? En waarom? Als u er goed over nadenkt, is het geheel aan keuzes binnen de interieurvormgeving nog behoorlijk complex.
Een interieur bestaat namelijk uit heel veel onderdelen, die allemaal op de een of andere manier met elkaar samenhangen. Om u hiervan een goed beeld te geven, kunt u het interieur verdelen in twee hoofdgroepen: de groep voor de aankleding en de groep voor de inrichting. De onderdelen voor de aankleding vormen samen het decor in een ruimte. Het gaat hier om de bekleding van de wanden, vloeren, plafonds, ramen en het houtwerk. Hiervoor worden de materialen, kleuren en een type uitvoering gekozen.

Volg MBO interieuradviseur 1

De onderdelen voor de inrichting zijn de stukken. Dit zijn de meubelen, verlichting, accessoires, planten en kunst. Ook hiervoor worden uitvoeringskeuzes gemaakt en wordt er een plaats in het interieur gekozen. Het decor en de stukken vormen dus samen het interieur. Aangezien ze bij elkaar horen, is het belangrijk dat er een goede afstemming is tussen beide. Zo ontstaat een evenwichtige vormgeving. U kunt hiervoor zorgen door alle keuzes voor de aankleding en inrichting binnen één interieurstijl te maken. Zo krijgt het totaal aan keuzes normaal gesproken een harmonieuze en stijlvolle vormgeving. Alle onderdelen komen dan immers uit een en dezelfde interieurfamilie. Het vinden van de ideale afstemming tussen de onderdelen is een boeiende en creatieve uitdaging.

Toch speelt, naast de op het uiterlijk gerichte vormgeving, het praktische gebruik van het interieur (de functionaliteit) ook een belangrijke rol. Het decor en de stukken zijn toch vooral ook gebruiksvoorwerpen. Het is dus belangrijk dat deze goed passen bij de functies waaraan de ruimte moet voldoen. Bij het bedenken van een volledig nieuw interieurconcept en/of het aanpakken van problemen in een bestaand interieur is deze samenhangende benadering functie versus vormgeving meestal de sleutel tot succes. Het ene aanpakken en het andere niet zal over het algemeen niet het gewenste resultaat opleveren. Zo verwacht men in de winkel vaak veel goeds van nieuwe meubelen, maar als deze eenmaal thuis in het bestaande decor zijn neergezet, valt het resultaat nog wel eens tegen. Als u de stukken verandert, maar hierop het decor niet aanpast, wordt de verandering lang niet altijd een verbetering. Een mooi meubel dat (achteraf) niet voldoet in het gebruik, zal u uiteindelijk toch niet zo goed bevallen.

Volg MBO interieuradviseur

Daarom is het belangrijk dat het decor en de stukken niet alleen worden afgestemd op elkaar, maar ook goed op het gebruik door de bewoner(s).
Bovendien maken het decor en de stukken onderdeel uit van een ruimte met bepaalde afmetingen (lengte × breedte × hoogte) en allerlei vaste onderdelen die hierin zijn geplaatst, zoals deuren en ramen, haard, inbouwkasten, elektra, verwarming en in de badkamer en keuken respectievelijk sanitaire toestellen, werkvlakken, kasten en apparatuur enzovoort.
Iedere ruimte biedt mogelijkheden, uitdagingen en beperkingen waarmee we rekening moeten houden bij onze keuzes voor het decor en de stukken en de plaats die u ze geeft in die ruimte.
In een moderne, lichte doorzonkamer zult u andere beslissingen nemen dan in een hoge, monumentale ruimte met een ronde grote erker en in een zolderkamer met alleen maar schuine wanden wordt het interieurplan net ietsje ingewikkelder dan in een gewone slaapkamer.

Voor al deze verschillende situaties zijn eigenlijk altijd oplossingen te bedenken en juist daarom is het belangrijk dat u bij uw keuzes rekening houdt met de mogelijkheden en beperkingen die een ruimte met zich brengt. Soms kunnen er in een ruimte door een kleine verbouwing grote verbeteringen worden aangebracht. Denk hierbij aan het veranderen van de draairichting of de positie van een deur, het plaatsen van een dakkapel of een extra wand.
Het zoeken naar dit soort oplossingen is zeker ook een belangrijk gereedschap van een interieurdesigner.
Op deze aspecten komen we later nog uitgebreid terug. In deze inleiding op de interieurvormgeving beperken we ons vooralsnog tot de vormgeving van het decor en de stukken.

1.1 Hoofdinterieurstijlen

Voor een samenhangende en stijlvolle interieurvormgeving is het belangrijk dat u zorgt voor een afstemming tussen het decor en de stukken. Hiervoor is het essentieel dat u de keuzes voor beide maakt binnen dezelfde interieurstijl. Om de juiste keuzes en afstemmingen te kunnen maken, is het daarom belangrijk dat u de stijlenfamilies met de bijbehorende vormgeving en kenmerken (her)kent. Hoewel er in de loop der tijd vele interieurstromingen zijn geweest, kunt u deze toch goed onderbrengen in drie hoofdgroepen, namelijk de landelijke, de klassieke en de moderne interieurstijl. De internationale benamingen hiervoor zijn: country, classic en modern.

Hierna beschrijven we deze hoofdinterieurstijlen met de hierbij passende, typische vormgeving. Het is belangrijk dat u de hierbij opgenomen beelden goed bestudeert en let op de bij deze interieurstijl behorende vormgeving, uitvoering (materialen en kleuren) en styling (de manier en plaats waarop ze zijn neergezet) van de interieuronderdelen.


Volg MBO interieuradviseur A Foto: Farrow & Ball
B Foto: Rivièra Maison
C Brom: Rivièra Maison
D Brom: Rivièra Maison

Volg MBO interieuradviseur E Foto: Farrow & Ball
F Foto: Farrow & Ball
G Foto: Farrow & Ball
H Foto: Bruynzeel parket

Volg MBO interieuradviseur

Volg MBO interieuradviseur

Volg MBO interieuradviseur

Interieurboek uitgewerkt

MBO interieuradviseur

Kleuren in het interieur

Volg MBO interieuradviseur

In de hoofdstukken over de interieurbouwstenen en materialen werden het grote belang en de invloed van kleuren in het interieur al aangegeven. Toch zijn de meeste mensen zich niet zo bewust van de rol die kleuren in onze omgeving spelen. Voor kunstenaars, architecten en ontwerpers is het juist inschatten van de effecten en mogelijkheden van kleuren echter een belangrijke noodzaak. Zij kleuren immers de ontworpen omgeving door de kleur die ze geven aan (kunst) objecten, gebouwen en ruimten.

Het is voor u als ontwerper een belangrijke vereiste voor de uitvoering van uw werk om een sterk kleurgevoel te hebben en een goede inschatting te kunnen maken van de mogelijkheden en effecten van kleuren. Met kleuren kunt u immers (delen van) een gebouw, ruimte of object benadrukken, camoufleren, optisch veranderen enzovoort. Bovendien kunt u met goed gekozen kleuren (en de juiste onderlinge afstemming ervan) sferen scheppen en een interieurstijl vervolmaken. Denk nog maar eens aan de Stijlbeweging, die met het gebruik van de primaire kleuren een zeer essentiële meerwaarde aan hun ontwerpen gaven.
Architect en vormgever Theo van Doesburg schreef in zijn tijdschrift De Stijl: “De architectonische beelding is zonder kleur niet denkbaar. Kleur en licht vullen elkaar aan. Zonder kleur is de architectuur uitdrukkingsloos, blind.” Hij zegt ook: “Zowel de afzonderlijke kleuren (bijvoorbeeld rood-blauw-geel), als de moderne materialen (bijvoorbeeld beton, ijzer, glas) vertegenwoordigen elk hun eigen energie. Blauw en geel bijvoorbeeld zijn, qua energie, elkaars tegenpolen. Die tegenstelling noem ik spanning.”

Volg MBO interieuradviseur

Kijk nu nog eens goed naar de afbeelding van de rood met blauwe Rietveldstoel. Deze houten stoel was aanvankelijk niet voorzien van kleur en kreeg pas een eeuwigheidswaarde nadat de kleurvlakken werden aangebracht (in de gekozen kleuren en kleurverhoudingen). Let hierbij vooral ook op de relatief zeer kleine gele accentvlakjes en denk deze eens weg. De stoel zou, juist door het weglaten van de kleinste kleurvlakjes, veel minder zeggingskracht hebben gekregen. Het voorbeeld van het ontwerp van Rietveld geeft aan dat deze ontwerper door een gerichte en gedoseerde toepassing van kleuren, een zeer belangrijke extra meerwaarde heeft gegeven aan zijn ontwerp (en het gekozen materiaal). Kleur is dus in ieder ontwerp een zeer belangrijk en boeiend gereedschap, dat kan zorgen voor de kroon op het totaalontwerp als het door de vormgever op de juiste manier wordt gehanteerd. Bovendien weten we uit wetenschappelijk onderzoek dat kleuren een belangrijke invloed hebben op het menselijk gedrag, onze gevoelens en emoties. Ook hiermee kunnen we aan onze ontwerpen een extra dimensie meegeven. We komen hierop later bij de paragraaf over kleurenpsychologie nog uitgebreider terug. Om de werking en het belang van kleuren in het interieur goed te kunnen inschatten en er goed mee te leren werken, kunnen we niet om een nadere uitwerking van het begrip kleur heen.

6.1 Wat is kleur?

Het fenomeen kleur is best lastig te bevatten. Als we het woordenboek Van Dale erbij pakken, lezen we: [kleur (de ~, ~en) : de bijzondere eigenschap van dingen om van lichtstralen van een bepaalde golflengte terug te kaatsen of door te laten, waardoor het oog een bepaalde indruk krijgt. De uitleg uit Van Dale is gebaseerd op de wetenschappelijke verklaring voor het fenomeen kleur van de natuurkundige Isaac Newton. Hij toonde in 1676 aan dat het zonlicht door middel van een driekanten prisma kan worden ontleed in de kleuren van het spectrum. We weten hierdoor dat kleur de zichtbare vorm is van licht. Zie de navolgende afbeelding.

Proefles MBO Interieuradviseur

De (spectraal)kleuren, ook wel de regenboogkleuren, ontstaan dus doordat een lichtstraal wordt gebroken. Als de lichtstraal weer met een verzamellens bij elkaar wordt gebracht, dan krijgt men weer wit licht. Deze vermenging noemen we ook wel additieve menging. Bij additieve menging bedoelt men dus, dat er licht wordt bijgevoegd (additief = toegevoegd, opgeteld). Als het kleurenspectrum in twee delen wordt verdeeld, bijvoorbeeld rood/oranje/geel en groen/blauw/ violet, en deze twee delen worden met een lens weer bij elkaar gebracht, dan geeft dit opnieuw wit licht. Als twee lichtsoorten samen wit licht geven, dan wordt dit complementair genoemd.

Volg MBO interieuradviseur

Aan het licht kan ook kleur worden ontrokken (substraheren) door gebruik te maken van gekleurde filters. Zo kunnen tal van kleuren worden gemengd. De kleur die we dan zien, wordt doorgelaten; de andere kleuren worden door de filters tegengehouden. Deze techniek wordt vaak toegepast in de fotografie, bij belichtingswerk en computertoepassingen. Kleuren ontstaan uit lichtgolven, zonder licht is er dus geen kleur. Iedere kleur heeft een eigen golflengte en zogenaamde trillingsgetallen per seconde. De golflengten worden uitgedrukt in nanometer en weergegeven als nm (1 nanometer is 1 miljardste van 1 meter). Iedere golflengte komt dus overeen met een kleur. Zo bevindt zich bijvoorbeeld in de golflengte 627-780 nm de kleur rood.

Volg MBO interieuradviseur

6.2 Kleuren van objecten

Een object verkrijgt zijn kleur doordat het bestaat uit een bepaald materiaal met een specifieke (moleculaire) samenstelling en doordat het bepaalde pigmenten en kleurstoffen bevat. Het materiaal absorbeert en reflecteert hierdoor bepaalde lichtstralen, waarbij gladde oppervlakken makkelijker licht reflecteren dan ruwe. Een rode porseleinen vaas bijvoorbeeld absorbeert alle kleuren van het licht, behalve de rode kleur, die wordt gereflecteerd. Bij een rood linnen kussentje (met een zachte en grovere textuur dan een vaas van porselein) is de reflectie iets minder goed; het rode licht wordt ietsje minder zuiver, wat doffer doorgegeven. Vervolgens wordt dit signaal via ons netvlies in onze hersenen opgevangen en wij herkennen de (specifieke) rode kleur. De andere kleuren worden geabsorbeerd door het object en omgezet in warmte.

Als alle lichtstralen door een object worden geabsorbeerd, dan is het oppervlak vrijwel zwart. Alle golflengten worden in dat geval geabsorbeerd en vervolgens omgezet in warmte. Dit verklaart ook het feit dat een zwarte katoenen blouse in de zomer zo veel warmer voelt dan een witte katoenen blouse! Als van alle lichtstralen een evenredig deel wordt geabsorbeerd en gereflecteerd, dan zien we het object als grijs; van licht tot donkergrijs. Als alle lichtstralen door een object worden teruggekaatst, dan zien we het object als wit; alle golflengten worden dan weerkaatst. Zo krijgt dus ieder object een kleur, die alleen dankzij de lichtstralen zichtbaar wordt. De lichtgolven hebben dus op zichzelf geen kleur, de kleur ontstaat pas in de ogen als de lichtgolven via de gevoelige cellen in het netvlies zijn gevoerd. Deze cellen bestaan uit zogenaamde kegeltjes en staafjes (ook wel fotoreceptoren genoemd). De kegeltjes zijn verantwoordelijk voor het zien bij daglicht en voor het waarnemen van kleuren.

Volg MBO interieuradviseur

In de bovenstaande afbeelding is te zien hoe licht het oog binnenkomt en via de pupil naar het netvlies wordt geleid waar de staafjes en kegeltjes aan het werk worden gezet. De informatie over wat we zien wordt vervolgens doorgestuurd naar onze hersenen. Als er gering licht aanwezig is, kan er ook maar weinig licht worden weerkaatst en ontvangt het netvlies weinig licht; de omgeving en de kleuren lijken dan donker. De kegeltjes kunnen niet functioneren bij schemerlicht. Hiervoor zijn ze te ongevoelig. De staafjes zijn wel zeer gevoelig en juist bedoeld voor de waarneming bij weinig licht. Als er in onze ogen een storing is in de waarneming van kleuren, dan wordt dit veroorzaakt doordat een van de drie kleurkegeltjes ontbreekt. We noemen dit dan kleurenblindheid. Overigens moeten de staafjes en de kegeltjes zich nog vanaf de babytijd tot aan de pubertijd verder ontwikkelen om echt alle kleuren te zien. Het is bekend dat baby’s als eerste de kleuren rood en fel paars kunnen zien.

De andere kleuren leren ze te zien in de eerste drie maanden, waarbij de kleuren blauw en bruin de meeste moeite kosten.
1. Van een babykamer kan dus met het gebruik van enkele rode accenten een voor een baby boeiender omgeving worden gemaakt, maar aan de andere kant zal deze kleur bij een overmatige toepassing waarschijnlijk leiden tot een te prikkelrijke omgeving waardoor de baby onrustig wordt. Uit de bovenstaande inleidende uitleg over het begrip kleur zal duidelijk zijn geworden dat kleur bestaat bij de gratie van licht en wordt beïnvloed door de pigmenten en kleurstof in en de textuur van een bepaald materiaal. Vervolgens speelt de verwerking van het licht in onze ogen ook een rol bij de manier waarop wij kleuren waarnemen. Omdat geen mens hetzelfde is, ervaart ieder mens een kleur op een andere manier. Probeer de manier waarop kleur ontstaat en wordt verwerkt door mensenogen in uw achterhoofd te houden bij het verwerken van dit hoofdstuk over kleur in het interieur. Voor een beter begrip en een nadere uitwerking van de werking van kleur behandelen we hierna de basisuitgangspunten uit de kleurenleer van Johannes Itten (1888-1967). Itten was een Zwitserse kunstschilder, die ook docent was bij de beroemde Bauhaus-academie.
2. Itten beschreef zijn kleurenleer in 1960 in het wereldberoemde boek Kunst der Farbe.

6.3 De kleurenleer van Johannes Itten

Johannes Itten baseerde zijn leer mede op de in de inleiding genoemde aspecten en vulde deze aan met methoden waarmee harmonische kleur(contrast)combinaties kunnen worden gemaakt. De basis van de kleurenleer van Johannes Itten is als volgt: het materiaal + de menselijke kleurwaarneming + de omgevingsinvloeden + de menselijke perceptie = de kleurwerkelijkheid waarbij geldt:
• het materiaal = de textuur + het pigment/de kleurstof 
• de menselijke kleurwaarneming = de waarneming via de ogen en de hersenen 
• de omgevingsinvloeden = de eigenschappen van de omgeving, bijvoorbeeld: is het daar licht/ donker en zijn er andere omgevingskleuren? 
• de menselijke perceptie = het individuele zien van de kleur
Deze beschrijving van de essentie van de Ittense kleurenleer zal u gaandeweg dit hoofdstuk steeds duidelijker worden. Johannes Itten werd in zijn visie op zoek naar de werking en de effecten van kleuren belangrijk geïnspireerd door de Duitse dichter Goethe. Deze vulde met zijn in 1810 uitgegeven Zur Farbenlehre de wetenschappelijke benadering van Newton aan door kleur te benaderen vanuit de menselijke perceptie.

Goethe toonde de rol en werking van de ogen en hersenen ten opzichte van kleur aan met de beschrijving van onder andere het simultaancontrast en nabeelden, die ook weer in de zeven kleurcontrasten van Johannes Itten werden opgenomen (deze begrippen worden later in dit hoofdstuk nog uitvoeriger behandeld). Goethe onderzocht daarnaast ook de Af. 15 emotionele en intuïtieve reactie van de mens op kleur. Deze aspecten worden later ook nog beschreven in de paragraaf over de kleurenpsychologie. Het was Johannes Ittens grote overtuiging, dat kleuren een grote invloed hebben op de psyche van de mens: “Kleuren zijn stralingskrachten, energieën, die in positieve of negatieve wijze op ons kunnen inwerken, of wij ons dit bewust zijn of niet. Niet alleen in optische, maar ook in psychische en symbolische zin zou de uitwerking van de kleuren moeten worden doorleefd en begrepen.”  1 http://www.surrey.ac.uk/babylab/ 2 Zie ook de uitleg over Bauhaus in het boek De basis van het interieurontwerp.

6.3.1 De twaalfdelige kleurencirkel

Volg MBO interieuradviseur

Johannes Itten gebruikt in zijn kleurenleer een twaalfdelige kleurencirkel. Alle kleuren in deze cirkel hebben eenzelfde ruimte en zijn op een onverwisselbare plaats geordend. Deze reeks wordt wel de regenboogreeks of de spectrale kleurenreeks genoemd. Deze twaalf kleuren noemen we ook wel tonen. Met een kleurtoon bedoelen we dus de daadwerkelijke kleur, bijvoorbeeld rood, oranje, geel. Deze kleuren worden onderverdeeld bij de zogenaamde chromatische kleuren (chroma is het Griekse woord voor kleur). Met chroma wordt de mate van de verzadiging of de puurheid van een kleur bedoeld. Daarnaast kennen we ook de achromatische kleuren: wit, zwart en grijzen. Achromatisch betekent letterlijk: geen kleur. Als er aan deze achromatische tinten iets van kleur wordt toegevoegd, wordt het een chromatische kleur.

Volg MBO interieuradviseur

Alle kleuren in de twaalfdelige kleurencirkel ontstaan vanuit drie kleuren, de zogenaamde primaire kleuren die zich in het midden van de cirkel bevinden: rood, geel en blauw. Dit worden ook wel de zuivere kleuren genoemd. Een optimaal verzadigde kleur is de kleur in haar zuiverste vorm. De kleur is hierdoor zeer intens. Een kleur verliest haar verzadigingsgraad door toevoeging van wit, zwart, grijs of een andere kleur. De stralingskracht of intensiteit van de kleur zal navenant afnemen.
Als twee primaire kleuren onderling worden gemengd, krijgen we de secundaire kleuren: Geel + rood = oranje Geel + blauw = groen Rood + blauw = violet (indigo) Als een primaire kleur met een secundaire kleur wordt gemengd, ontstaat er een tertiaire kleur.
De kleuren in de tertiaire groep ontstaan dus uit een tweede vermenging en worden daarom de onzuivere kleuren genoemd.
Deze ontstane kleuren noemen we kleurtinten: Geel + oranje = geeloranje Rood + oranje = roodoranje Rood + violet = roodviolet Blauw + violet = blauwviolet Blauw + groen = blauwgroen Geel + groen= geelgroen Dit type kleuren komen we vaak in de natuur tegen.

Volg MBO interieuradviseur

In de kleurencirkel geeft Itten dus aan hoe de twaalf hoofdkleuren (in de buitenste ring van de kleurencirkel) zijn ontstaan vanuit de drie primaire kleuren en de hieruit vermengde drie secundaire en zes tertiaire kleuren. Bij Itten gaat het altijd over het mengen van verfkleuren. Overigens ontstaan die kleuren niet door het vermengen van gelijke delen (men moet dus zoeken naar de juiste mengverhouding).

Vragen over de theorie uit De basis van het interieurontwerp

Proefles van MBO Interieuradviseur - NTI

Ben je benieuwd of je de theorie goed hebt begrepen? Beantwoord dan de onderstaande vragen.
De antwoorden komen later in de proefles terug.

  1. Uit welke onderdelen bestaat het decor in het interieur? 
  2. Uit welke onderdelen bestaan de stukken in het interieur? 
  3. Welke hoofdinterieurstijlen ken je?

Vragen over de theorie uit Het interieurontwerp uitgewerkt

MBO interieuradviseur

Ben je benieuwd of je de theorie goed hebt begrepen? Beantwoord dan de onderstaande vragen.
De antwoorden komen later in de proefles terug.

  1. Waarom is het voor ontwerpers erg belangrijk om een sterk kleurgevoel te hebben en een goede inschatting te kunnen maken van de mogelijkheden en effecten van kleuren?
  2. Leg uit hoe een object zijn kleur verkrijgt. 
  3. Leg uit wat de basis is van de kleurenleer van Johannes Itten.

Hoe studeer je bij NTI?

Dankzij het nieuwe studeren bepaal je zelf waar en wanneer je studeert. Het nieuwe studeren is de ideale combinatie tussen online en klassikaal onderwijs. De onderstaande video laat je het nieuwe studeren zien.

 

Bekijk hier de antwoorden

Onderstaand kun je jouw antwoorden controleren.

Antwoorden theorie:
De basis van het interieurontwerp

  1. De onderdelen voor de aankleding vormen samen het decor in een ruimte. Het gaat hier om de bekleding van de wanden, vloeren, plafonds, ramen en het houtwerk. Hiervoor worden de materialen, kleuren en een type uitvoering gekozen. 
  2. De onderdelen voor de inrichting zijn de stukken, dit zijn de meubels, verlichting, accessoires, planten en de kunst. Ook hiervoor worden uitvoeringskeuzes gemaakt en een plaats in het interieur gekozen. 
  3. Hoewel er in de loop der tijd vele interieurstromingen zijn geweest, kunnen we deze toch goed onderbrengen in drie hoofdgroepen, namelijk in de landelijke, klassieke en moderne hoofdinterieurstijl. De internationale benamingen hiervoor zijn: country, classic en modern.

Antwoorden theorie: Het interieurontwerp uitgewerkt

  1. Het is voor jou als ontwerper een belangrijke vereiste voor de uitvoering van je werk om een sterk kleurgevoel te hebben en een goede inschatting te kunnen maken van de mogelijkheden en effecten van kleuren. Met kleuren kun je immers (delen van) een gebouw, ruimte of object benadrukken, camoufleren, optisch veranderen enzovoort. Bovendien kun je met goed gekozen kleuren (en de juiste onderlinge afstemming ervan) sferen scheppen en een interieurstijl vervolmaken. 
  2. Een object verkrijgt zijn kleur doordat het bestaat uit een bepaald materiaal met een specifieke (moleculaire) samenstelling en doordat het bepaalde pigmenten en kleurstoffen bevat. Het materiaal absorbeert en reflecteert hierdoor bepaalde lichtstralen, waarbij gladde oppervlakken makkelijker licht reflecteren dan ruwe. 
  3. De basis van de kleurenleer van Johannes Itten is als volgt: materiaal (textuur + pigment/de kleurstof) menselijke kleurwaarneming (via de ogen en de hersenen) omgevingsinvloeden (de eigenschappen van de omgeving, bijvoorbeeld is het daar licht/donker en zijn er andere omgevingskleuren) menselijke perceptie (het individuele zien van de kleur ) + kleurwerkelijkheid. 

Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden over MBO Interieuradviseur?

Je kunt elke dag starten met MBO Interieuradviseur, dus zet vandaag nog de eerste stap!

8 redenen om bij NTI te studeren

  1. NTI biedt erkende en gewaardeerde opleidingen
  2. Je krijgt deskundige begeleiding door ervaren docenten
  3. Je studeert voor een voordelige prijs
  4. Je studeert flexibel: waar en wanneer je wilt
  5. Je studeert met veel persoonlijk contact
  6. Je studeert modern via onze digitale leeromgeving
  7. Je krijgt studiebegeleiding van een mentor
  8. Je kunt studeren op kosten van de werkgever en/of de fiscus

Neem gerust contact met ons op, als je nog vragen hebt. Succes met het kiezen van je opleiding!

1 / 1