Proefles: Kinderboeken schrijven

Ontplooi je creativiteit met de cursus Kinderboeken schrijven!

Met deze proefles krijg je een indruk van de cursus Kinderboeken schrijven van het NTI. Je krijgt inzicht in de lesstof. Je kan ook alvast vragen maken en deze zelf controleren. Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Heel veel succes en plezier met de proefles.

Lees ook de ervaring van Joke de Jongh:

"Zeer correcte benadering, veel uitdaging en snelle response van de mentor. Stimulerend om cijfers te krijgen en feedback die er echt toe doet. Bevat een prettige leesbaar naslagwerk. Boven mijn verwachting!!"

Humor

kinderboeken schrijvenIn kinderboeken moet humor zitten. Nou ja, niks moet natuurlijk, maar in kinderboeken moet humor zitten. Kinderen hebben recht op humor. Als je daarvoor redenen gaat noemen, doet dat al afbreuk aan de vanzelfsprekendheid ervan.
Zo begint hoofdstuk 4 van Kinderboeken schrijven,  het boek waarin kinderboeken-schrijver Wim Daniëls zijn adviezen aan beginnende collega’s heeft samengevat.
Humor moet, is dus zijn devies. Al is eigenlijk niet uit te leggen waaróm humor moet. Daniëls is wel erg streng met zijn voorschrift, want er zijn wel degelijk een paar voorbeelden te noemen van heel succesvolle kinderboeken waarin humor een ondergeschikte rol speelt; denk maar aan het werk van Thea Beckman en Jan Terlouw. Zowel in Kruistocht in spijkerbroek als in Oorlogswinter zijn het interessante van het onderwerp en het spannende van de avonturen zo overtuigend en meeslepend, dat het ontbreken van komische taferelen kennelijk door veel lezers niet als gemis wordt ervaren.

Waarom moet humor dan wel, als het niet uit te leggen is?

“Mam, ik wil op een voetbalclub,” zei de kroonprins op de ochtend van zijn twaalfde verjaardag. Zijn moeder wierp hem een boze blik toe. “En waarom dan wel?” vroeg ze.
“Dat weet u best.” “Oh ja?”
“Ja, ik wil profvoetballer worden.”
“Neem jij nou maar een hapje van je taart, Justus,” zei ze op een toon die geen tegenspraak duldde. “Het is werkelijk heerlijk.”
Maar de kroonprins liet de lekkernij onaangeroerd op zijn bord liggen. (...)
Demonstratief liet Justus het zilveren vorkje naast zijn bord liggen. Hij zag dat zijn moeder steeds bozer werd. En haar stem klonk ijzig, toen ze zei: “Lust je het soms niet, jongen?”

Zo zou een boek over een voetballende kroonprins kunnen beginnen. Maar dat boek begon net even anders:  “Mam, ik wil op een voetbalclub,” zei de kroonprins op de ochtend van zijn twaalfde verjaardag. Zijn moeder wierp haar zoon een blik toe alsof hij in een kikker was veranderd, een kikker met een wrat.
“En waarom dan wel?” vroeg de geschrokken vorstin.
“Dat weet u best.”
“Oh ja?”
“Ja, ik wil profvoetballer worden.”
“Neem jij nou maar een hapje van je taart, Justus,” zei ze op een toon die geen tegenspraak duldde. “Het is werkelijk heerlijk.”
Maar de kroonprins liet de lekkernij, gesneden uit een chocoladetaart van vijf verdiepingen, onaangeroerd op zijn bord liggen.
(...)
Demonstratief liet Justus het zilveren vorkje naast zijn bord liggen. In de ogen van de koningin veranderde het blauw langzaam in paars. Ook haar stem klonk nu anders, ijzig. De oren van de kroonprins bevroren zowat, toen ze zei: “Lust je het soms niet, bolletje?” 
(Uit: Frans van Duijn, Een dansje bij de hoekvlag. Noordwijk, 2004.)

Waarom humor
Van Wim Daniëls moeten we niet proberen uit te leggen waarom de tweede variant beter is, maar we wagen toch een poging: de tekst met de onderstreepte varianten is veel rijker dan het eerste fragment. Aan de situatie van de mopperende koningin en het zeurende prinsje wordt van alles toegevoegd, waardoor de lezer veel meer voor zich ziet en waardoor de toestand en de personages scherper worden getekend. De koninklijke rijkdom wordt op een grappige manier overdreven, met die taart van vijf verdiepingen en tegelijkertijd wordt het vreselijke strenge van de vorstin getoond en gerelativeerd met de gebruikte beeldspraak. Humor voegt dus iets toe aan een beschreven situatie, namelijk wat volgens de verteller de essentie is van wat daar tussen de personages gebeurt, waarbij ook de fantasie van de lezer wordt geprikkeld. Als je iets heel ijzig zegt, dan heb je kans dat de oren van de gesprekspartner dreigen te bevriezen...

Wat de schrijver met het introduceren van humor altijd doet, is laten zien dat de beschreven situatie op een bepaalde manier gezien wordt, dat hij een keuze gemaakt heeft om zijn handelende personage te typeren. Het had ook anders gekund, is het signaal, en dat is wat de lezer onbewust stimuleert om zich er van alles bij voor te stellen. De leeservaring bij taal met humor is veel intenser dan bij een tekst zonder grappigheden, en daardoor wordt een verhaal dus ‘leuker‘. Het advies ‘schrijf humoristisch’ komt overeen met de meer algemene aanbevelingen aan schrijvers van fictie: kies zoveel mogelijk voor het concrete, niet voor het algemene, en: voeg dialogen in, waar het maar kan.Show, don’t tell. Als het concrete getoond wordt “de ogen van de koningin veranderden van blauw in donkerpaars”, wordt de lezer meer in staat gesteld mee te leven dan wanneer de verteller komt met verhullende algemeenheden “de koningin werd steeds bozer”.

In het overgrote deel van de kinderboeken hebben de auteurs geprobeerd de scènes humoristisch neer te zetten. De consequentie daarvan is dat er geen apart genre ‘humoristische kinderboeken’ bestaat. Wij hebben bij onze speurtocht naar humor in de jeugdliteratuur maar één boek gevonden dat het helemaal van humor moet hebben, en waarin het verhaal er niet toe doet: Pudding Tarzan van Ole Lund Kirkegaard. 

13.1 Slapstick: Pudding Tarzan

Iwan Olsen komt iedere dag thuis met een kletsnatte broek, want de pestjongens op school zetten hem met zijn achterwerk onder een kraan. Vooral in de winter is dat vervelend, want dan moet Iwan met een broek vol ijs naar huis. Zowel Iwan als zijn moeder laat dit maar gebeuren. Vader Olsen is het niet eens met de gang van zaken:
“Wat!?” riep hij. “Hebben ze nou alweer water in je broek gegoten?”
“Tja...” zei Iwan.
“Ja, maar wat is dat nou toch?” riep zijn vader en hij sloeg zo hard op tafel dat zijn koffiekopje ervan op en neer sprong. “Je moet van je af leren bijten, baasje. Je moet een kerel zien te worden.”
Hier slaat Iwan Olsens vader meneer Olsen op de tafel:

(er volgt een plaatje van een boze heer die hevig op tafel slaat, met een springend kopje koffie en een uit de mond zwevende pijp)

kinderboeken schrijven“Wat is een kerel voor iets?” vroeg Iwan.
“Ja, een kerel,” riep zijn vader. “Een kerel is iemand die anderen een pak rammel kan geven.”
“Dat kan ik niet,” zei Iwan. “Ik kan helemaal niemand een pak rammel geven.”
“Nee,” riep zijn vader. “Jij kan helemaal niks, baasje. Jij bent een grote slapjanus.”
“Tjaa...” zei Iwan Olsen. “Dat klopt wel.” 
(Uit: Ole Lund Kirkegaard, Pudding Tarzan. Amsterdam, 1999.)

De hoofdpersoon Iwan is hier al aardig getypeerd: hij kan niets en hij wil ook niets. Hij kan niet leren lezen, want volgens hem zijn er wel duizend letters en die kan hij onmogelijk leren, hij kan niet fietsen, hij kan bij gym natuurlijk niet over een bok springen, en als hij tegen een voetbal wil trappen maait hij over het ding heen, zodat zijn laars door de lucht vliegt en hij op zijn rug valt. Een hoofdpersoon van een kinderboek kan geen figuur zijn met als enige dimensies dat hij niets kan en niets wil, maar in dit geval gebruikt de auteur het sullige type om krankzinnige scènetjes op te zetten, geïllustreerd met tekeningen van de schrijver zelf. Die tekeningen spelen een grote rol in de vertelling, want er wordt met nadruk naar verwezen, met zinnen als “op de volgende bladzij zie je de spuug-kampioen aan het werk.”
De eenvoudige tekst is gezet in grote letters en het boek is door uitgeverij Van Goor dan ook uitgebracht in de reeks ‘makkelijk lezen’, dus voor kinderen die lijden aan een vorm van woordblindheid of voor wie lezen gewoon heel moeilijk is. In feite doet Kirkegaard hier dus wat ongeveer een eeuw eerder werd beoogd door onderwijzers als Kieviet en Van Abkoude: hij wil aan een bepaalde groep kinderen een verhaal voorzetten waar ze om kunnen lachen. Een plot is er nauwelijks: als Iwan een heks ontmoet en een wens mag doen, wordt hij even heel sterk en behendig, als de Tarzan uit het boek van zijn vader, en kan hij bij al zijn treiteraars de broekjes vol water laten lopen. Als de toverkracht is uitgewerkt, gaat alles weer door op de oude voet. Hij wordt uitgescholden, op de wc opgesloten, hij valt zich weer een bloedneus bij gymnastiek, en hij krijgt weer een plens water in zijn broek. Zijn vader blijkt dan een nieuw boek gekocht te hebben, met de titel Tarzan keert terug. De humor waar Kirkegaard zich van bedient, is van het type dat in de filmcultuur slapstick wordt genoemd en dat door Wim Daniëls als ‘roomtaartenhumor ‘ wordt aangeduid.

kinderboeken schrijvenDoor het geklungel van de personages worden herkenbare probleemsituaties zo tot in het krankzinnige overdreven, dat veel toeschouwers er de onstuitbare slappe lach van krijgen. Denk maar aan dolle filmscènes met radeloze agenten (The Keystone Cops), eindeloze smijtpartijen met taarten, of met Laurel en Hardy die met een piano een lange trap op moeten. 

Kirkegaard voert de overdrijvingen heel ver door: als vader Olsen zijn Tarzanboek boos dichtslaat, krijgt Tarzan daarvan een “dreun op zijn hersenpan” en als Iwan door toedoen van de heks plotseling even kan lezen, neemt hij uit de bibliotheek een werk mee van 9.000 bladzijden, dat hij in de klas helemaal voorleest, eerst gewoon en dan ook nog eens van achteren naar voren. Het verband tussen deze verzinsels en de realiteit is er dan eigenlijk niet meer, en dat is dan ook de reden dat slapstick het in de literatuur niet zo goed doet. Ook de jonge lezer wil nog wel een klein beetje kunnen geloven in de hoofdpersoon en zijn tegenspelers. Het boek van Kirkegaard is dan ook vooral bekend geworden doordat het als uitgangspunt heeft gediend voor theatervoorstellingen; de musical Pudding Tarzan staat op het repertoire van een aantal jeugdtheatergroepen.
Humor die het moet hebben van de uitbundige overdrijving, wordt ook met succes aan de man gebracht door Paul van Loon, in zijn boeken over de Griezelbus. ‘Grumor‘ noemt de auteur het zelf. In hoofdstuk 10 hebben we voorbeelden gegeven van de manier waarop Van Loon het genre griezelverhalen parodieert. Het uitgangspunt hier is niet de realiteit van alledag, waarin kinderen wel eens gepest worden door gemene jongens en waarin leren lezen soms heel moeilijk kan zijn, maar de bekendheid van de lezers met de wereld van vampiers, weerwolven, zombies en spoken. Het is best grappig om die types bij elkaar in een bus te zetten, en het voertuig te laten besturen door een skelet met een chauffeurspet op.

13.2 De functionele overdrijving

Toen de dichter Gerrit Komrij in zijn hoedanigheid van televisiecriticus een populaire presentator met steevast gebruind gelaat eens omschreef als de man met “dat ietwat aangebrande hoofd, dat altijd net uit een Tefal-tostiknijper afkomstig lijkt”, overdreef hij. Bruin was het bedoelde gelaat wel, maar ‘aangebrand’ was het niet. Maar iedereen begreep wat hij ermee bedoelde en heel veel lezers vonden de manier waarop hij de tv-helden benaderde, bijzonder humoristisch. De satiricus, die met zijn tekst de bedoeling heeft om een persoon of een groep aan te vallen, bedient zich bijna altijd van wat we de ‘functionele overdrijving’ kunnen noemen. Een bepaald aspect van de realiteit wordt overdreven (‘aangebrand’ voor ‘zongebruind’), maar de reële basis moet nog wel herkenbaar zijn. Als Komrij het in dit geval zou hebben gehad over ‘zwartgeblakerde kop’, was er te weinig verband geweest tussen zijn beeld en het werkelijke hoofd, en dan was de uitspraak niet zo leuk geworden.

De humor die het in kinderboeken het best doet, is ongetwijfeld die van de functionele overdrijving. De auteurs die door het overgrote deel van de jonge en de minder jonge lezers worden gezien als de grootmeesters van de jeugdliteratuur, Annie M.G. Schmidt voor Nederland, Astrid Lindgren en Roald Dahl voor de wereld, bedienen zich op elke pagina van de komische overdrijving in hun typering van de personages. Een vreselijke schooljuf, een man met een vieze baard, asociale pestkoppen, een onhandige vriendelijke reus, een trotse directeur van een snoepfabriek, een mevrouw die wil dat alles netjes blijft, een deftige burgemeester, een politieagent die geen gedonder wil van al die figuren worden de herkenbare eigenschappen uitvergroot, zodanig dat de personages botsen bij de confrontaties en zodanig dat die eigenschappen in de handeling wel een rol spelen. We hebben er in de voorgaande hoofdstukken al vele voorbeelden van gegeven, vooral in hoofdstuk 8 over de dialogen. Een hond die een beetje raar praat en die verder niet meer in het verhaal voorkomt, is niet bijzonder leuk, maar de politiehond Herman is dat wel, althans volgens de vele liefhebbers van het boek Otje. Waar men aan moet denken bij het woord ‘politiehond’, het dreigende, het agressieve en het gehoorzame, komen allemaal aan bod op een idiote en dus vermakelijke manier.

Het verschil tussen de functionele overdrijving en de slapstick is natuurlijk gradueel. Bij de humoristische overdrijving is de afstand tussen het herkenbare uit de realiteit en de verhaaltypering minder groot; er wordt niet uit boeken van 9.000 bladzijden voorgelezen. Als de vader van Otje, de temperamentvolle kok die geen diploma’s (‘de papieren’) kan tonen en daardoor niet aan het werk komt, na een aanval van razernij in een psychiatrische kliniek is terechtgekomen, speelt zich het volgende gesprekje bij zijn bed af: 
“Deze patiënt is zeer gevaarlijk dokter,” zei zuster Snijbiet. “Hij heeft niet alleen een agent aangevallen, maar ook mij heeft hij gewelddadig overrompeld.”
“Zozo,” zei de dokter. “Wat hebt u hem gegeven?”
“Pillen,” zei de zuster. “En prikken.”
“Ja natuurlijk,” zei de dokter ongeduldig. “Maar wat voor pillen en prikken?”
“Falderal,” zei de zuster.
“Geen Psychodram?”
“Ook. En Halsigeen en Denderon.”
“Prima,” zei de dokter. “Welnu, voor ik een rapport opstel, zou ik graag z’n papieren even willen zien”.

Dat had de dokter beter niet kunnen zeggen. De getergde kok ontwaakte uit zijn verdoving, waarbij de slangen en snoeren overal losschieten. Een beetje slapstick. Als aan de kok gauw ‘een sjot Miximax’ wordt toegediend, zakt hij weer weg in zijn sluimering.
De functionele overdrijving is vooral het wapen van de satiricus, maar de satire is geen genre in de jeugdliteratuur. De aanval op een bestaande bekende persoonlijkheid zult u in kinderboeken niet of hoogst zelden aantreffen. Een klein beetje milde satire zit wel in het boek over de naar voetbal verlangende kroonprins, Een dansje bij de hoekvlag, waarvan we de opening hebben weergegeven aan het begin van dit hoofdstuk. Eén van de mooiste confrontaties uit dit verhaal vindt plaats tussen de koningin en de beroemdste voetballer aller tijden, die de sportieve ontwikkeling van de prins wel wil helpen bevorderen. De koningin heeft de man uitgenodigd om hem duidelijk te maken dat het niks wordt met die voetbalonzin. Voetbal is een erg volks vermaak en dat sfeertje moeten ze niet hebben op het paleis.

kinderboeken schrijven“Wat heeft u een merkwaardige badmuts op, majesteit? Oh, dat is uw kapsel. Veel haarlak, zeker?” Allemachtig, die Johan Druif was niet op zijn mondje gevallen. Ook leek hij totaal niet onder de indruk van de pracht en praal van het koninklijk paleis. Zijn linkerhand hield hij brutaal in de zak van een met modder bevuilde trainingsbroek, niet bepaald een kledingstuk dat je aan het hof verwacht. In zijn rechterhand hield Druif nonchalant een sigaretje en soms morste hij zelfs wat as op het zijden tapijt. Kortom, Druif gedroeg zich als of hij in een voetbalkantine stond. De vorstin was te verbaasd om in woede uit te barsten.

“Waar is het ballenhok, majesteit?” vroeg Druif voortvarend.
“Hoe bedoelt u, meneer Druif?”
“Nou, het ballenhok. Een hok met ballen. Dat lijkt me duidelijk.”
“We hebben hier 440 kamers, meneer Druif, maar geen hok.”
“Oh, heeft u dan misschien een ballenkámer?”
Een koninklijke adviseur greep in.
“Er ligt een net met voetballen op het veld, meneer Druif. Dat is allemaal in orde.”
“Ah, fijn.”

Nu richtte Druif zich tot de kroonprins. “Je moeder hep mij gevraagd om eens te kijken of je voetbaltalent hep. Nu is talent één ding, maar je hebt ook nog dingetjes als mentaliteit, snelheid, tactisch inzicht, techniek, voetbalintelligentie, duizenden details, noem maar op. Dat is duidelijk. Maar het belangrijkste is dat je spychisch goed in mekaar zit. Over dat detail ken ik uren praten.”

De beperktheid van satire in een verhaal wordt nu goed duidelijk: wie niet weet op welke figuur Johan Druif geënt is, zal het geleuter van dit personage wellicht niet zo grappig vinden. De schrijver rekende erop dat zijn lezers de man woord voor woord zouden herkennen. Belangrijker is dat de overdrijving van de eigenschappen pas echt een humoristisch effect heeft als die functioneel is in de plot en als de personages voortdurend tegenover elkaar worden gezet. Het gaat daarbij niet om scheldpartijen (zie hoofdstuk 8), maar om een beetje frictie, veroorzaakt door de karakterverschillen. Bijvoorbeeld op deze manier:

“Maar genoeg gekletst,” zei Druif. “Laten we maar naar buiten gaan. Eerst maar eens de lange pass. Eens kijken of je de bal op mijn stropdas ken leggen.” “Ah, dat doet me deugd, heer Druif,” reageerde de koningin verheugd. “Wat, mevrouwtje?”

“Dat u het spel met een stropdas om speelt. Wel zo netjes, vind ik. Zal ik voor Justus ook een das laten ...”

En toen barstte Druif in lachen uit. Het was de oergezonde lach van een sportman.

Druif vertelt dat ‘het leggen van de bal op de stropdas’ een voetbalgezegde is en dat er nimmer met een das om gespeeld wordt. Het treft hem overigens aangenaam dat de echtgenoot van de koningin, de zachtaardige vader van de kroonprins, ook geen stropdas draagt. Dat is dus weer een vonkje satire dat bij de jonge lezers wel niet meer zal overkomen.

De koningin is nu beledigd als nooit tevoren. Als Druif nog eens aankondigt dat hij gaat zien hoe de prins op de lange pass reacteert, knalt haar stem als een zweepslag door de vertrekken:

“Het is psychisch en niet spychisch. En het is reageren en niet reacteren!”

Druif draaide zich om.

“Nee, het is reacteren en spychisch, mevrouwtje. Dat weet ik honderd procent zeker. Zoekt u het maar op in het woordenboek.”

En vervolgens stapte de trainer, alsof er niets was gebeurd, met de kroonprins de paleistuin in. De achterblijvers hoorden hem nog iets mompelen over ‘te lang gras’.

13.3 Humor en taboes

Wim Daniëls wijst er in Kinderboeken schrijven terecht op dat humor altijd verbonden is met situaties waarin mensen zich ongemakkelijk voelen. Hoe waar dat is, blijkt uit alle voorbeelden die we hierboven gegeven hebben. Bij de spreekwoordelijke bananenschiltoestand, eindeloos uitgebuit in uitzendingen met filmische ‘bloopers’, kan bijna niemand zijn lach inhouden.

Als er geen gêne is, geen pijntje of verdriet, dan valt er ook niets te lachen. Humor is dan ook onverbrekelijk verbonden met het bestaan van taboes in een bepaalde cultuur. Voor de jongste lezers en luisteraars is het dan ook prachtig als de Autoriteit, in de gestalte van moeder die altijd verstandig wil zijn of de leerkracht die het altijd beter weet, eens goed de mist in gaat.

Voor de oudere lezers krijgt humor in een verhaal ook een andere functie dan alleen maar het opwekken van vrolijkheid. De schrijver kan humor inzetten om iets wat helemaal niet leuk is, of waarover je het eigenlijk niet durft te hebben, toch over te dragen zonder zijn lezers met ondraaglijke tragiek te deprimeren. Het voorbeeld dat Daniëls zelf aandraagt, handelt over Hendrik en zijn piemel. 

Het kwam zover dat Hendrik Joppers op een dag een stijve piemel kreeg. Het was op een dinsdagmiddag in november. Ongemerkt had hij eerder ook wel eens een stijve piemel gehad, maar op deze novemberdag was hij er zich voor het eerst echt van bewust dat zijn piemel stijf was. ‘Piemel’ is trouwens misschien een iets te groot woord, want Hendrik had eigenlijk nog maar een piemeltje. Maar dat was dus wel stijf geworden.

De les gaat over spelling, niet bepaald een onderwerp waarvan je een stijve piemel krijgt, en Hendrik zit naast Jasperine, die natuurlijk niets mag merken van zijn ongemak. Als hij eraan denkt dat Jasperine weet zou kunnen hebben van zijn toestand, wordt de verstijving nog erger. Als hij dan naar voren moet komen om een woord op het bord te schrijven, wordt de situatie precair: Hendrik weet zeker dat de hele klas naar zijn broek zou kijken en dat iedereen de bult zou kunnen ontwaren. Daar wordt hij zo verschrikkelijk zenuwachtig en duizelig van, dat het ding weer keurig terugzakt. Hij gaat naar het bord en hij schrijft foutloos. 

Toen hij weer op zijn stoel zat, zuchtte hij een keer. Hij vermoedde dat zijn piemel hem de komende tijd nog wel vaker in lastige situaties zou brengen. Dat was geen prettig vooruitzicht. Hij keek eens naar Jasperine. Hendrik wist dat zij geen piemel had en dus nooit last zou krijgen van een stijve piemel. Bofkont, dacht hij. Jasperine keek hem nu ook aan. “Is er iets?” fluisterde ze. Hendrik schudde van nee, maar hij dacht: ja, er is iets.
Dit is nog een grappig verhaaltje voor de leeftijdsgroep van tien tot twaalf jaar, maar naarmate de auteur zich tot oudere lezers richt, worden de taboes indringender. We hebben in hoofdstuk 12, over het schrijven voor de teenagers, al gezien dat niet elke auteur meer grijpt naar de humor om de taboes seksualiteit, ziekte en dood in een verhaal vorm te kunnen geven. Hoe dat wel zou kunnen gebeuren, heeft Daniëls geprobeerd te demonstreren in het boek Twee tieten in een envelop, met in de hoofdrol een meisje in groep acht, van wie de moeder sterft aan borstkanker. Dat het boek een demonstratief karakter heeft, wordt expliciet gesteld in de ondertitel: Mag je nog lachen als je moeder doodziek is? Het antwoord is kennelijk ‘ja’, maar de manier waarop de auteur te werk is gegaan, zal niet elke lezer overtuigen. De hoofdpersoon treedt toe tot een moppenclub, een groepje leerlingen dat in de schoolpauze moppen uitwisselt, en de daar vertelde moppigheden vormen dan de humoristische tegenhanger van het eigenlijke verhaal, het doodgaan van de moeder. In die verhaallijn is van enige humor geen sprake. Zeer overtuigende demonstraties van hoe een schrijver het over echte kinderperikelen en echte tragiek kan hebben met veel humor, vindt u in de verhalen van Francine Oomen en Guus Kuijer. Een mooi voorbeeld daarvan hebben we gegeven aan het eind van hoofdstuk 10.

13.4 Ironie

Literaire humor is identiek aan ironie geen eenvoudig begrip. Tot in sommige schoolboeken aan toe wordt aan het misverstand vastgehouden dat ironie zou betekenen ‘het omgekeerde zeggen van wat men bedoelt’, maar dat is onzin. Wie bedoelt te zeggen ‘hij is dik’ is niet ironisch als hij komt met ‘hij is dun’. Met de formulering ‘een den is hij natuurlijk niet’, komen we al meer in de richting. Van een museumbezoeker zouden we kunnen zeggen dat hij vlak voor een impressionistisch schilderij staat, maar ook ‘hij stond met zijn neus in een impressionistisch landschapje’, en van een houterige meneer dat ‘hij zich beweegt met de elegantie van een trekpop’. De ironische zin heeft altijd twee kenmerken: de zin heeft het karakter van een feitelijke mededeling, een nuchtere vaststelling, en de letterlijke inhoud van die mededeling is absurd, dat wil zeggen, niet van toepassing op de beschreven situatie. Die kenmerken vindt u in de twee voorbeelden hierboven en in een grap van cabaretier Ivo de Wijs: “het door de trein verpletterde jongetje werd door zijn zusje één voor één naar huis gebracht”. Veel absurder kan het niet gezegd worden, maar van de luisteraar/lezer wordt verwacht dat hij de strekking wel begrijpt.
Over de verschillende vormen van ironie valt veel te zeggen, maar voor de schrijvers van kinderboeken is het belangrijkste wel deze aanbeveling: gebruik ironie niet voor de jongste lezers en met mate voor de oudere. In het handboek van Wim Daniëls staat op pagina 42 “Ironie is niet geschikt voor jonge lezers”. Tot ongeveer 10 jaar zijn de taalkennis en het abstractievermogen van het kind nog onvoldoende om goed te kunnen begrijpen wat een tekst betekent als er niet letterlijk staat wat er wordt bedoeld. In hoofdstuk 10 hebben we die combinatie van kennis en kunde het metalinguïstisch bewustzijn genoemd; een lezer moet al heel veel taal verwerkt hebben voor hij het spelen met taal kan gaan waarderen. Leraren Nederlands kunnen u vertellen dat ook veel oudere leerlingen nog niet zo gevoelig zijn voor het ironische taalspel, dat volwassen lezers zo waarderen in het werk van een schrijver als Simon Carmiggelt. En redacteuren van kinderboekuitgeverijen kunnen daaraan toevoegen dat in veel minder geslaagde manuscripten sprake is van niet-effectieve ironie: de auteur geeft met zijn of haar toespelingen, op zaken uit de maatschappelijke en politieke werkelijkheid, te vaak een knipoog naar andere volwassenen, een signaal dat voor het lezende kind niet functioneert.

kinderboeken schrijvenIn boeken voor middelbare scholieren kan ironie, de humor die in de taal zelf zit en niet zozeer in de grappige situatie, natuurlijk wel degelijk bijdragen tot een plezierige leeservaring. Daniëls geeft als voorbeeld een passage uit een boek van Ann Brashares, 4 vriendinnen 1 spijkerbroek (voor de groep 12+):

Ik sterf een langzame dood bij Wallman, bedacht Tibby de volgende middag onder de zoemende, fluorescerende lampen. Aan deze baan ging je misschien niet eerder dood dan normaal, maar het zou wel erg pijnlijk zijn. Waarom had dit soort winkels nooit ramen, vroeg ze zich af. Dachten ze misschien dat de gekooide, bleke werknemers zouden vluchten na één glimp zonneschijn?
(...)
Terwijl ze de pakken Depends opstapelde, leken haar lichaamsen hersenfuncties te vertragen tot de langzaamste stand. Ze zag haar hersengolven veranderen in een vlakke lijn op zo’n ziekenhuismonitor. Simpelweg overlijden bij Wallman.

13.5 Conclusie: humor moet

In alle genres fictie is humor een kostbare kwaliteit en het is nauwelijks overdreven als we ferm stellen: humor moet. De schrijver van jeugdliteratuur kan het beter niet zoeken in de subtiele ironische zinswendingen, maar in de arrangementen die bij zijn publiek de lachlust opwekken.

Aan bijna alle voorbeeldpassages uit de vorige hoofdstukken is goed te zien wat er nodig is om een kinderboekentekst humoristisch te laten zijn en die voorwaarden zijn geldig voor zowel de voorleesboeken als voor de romans die op 15+ zijn gericht.

Kenmerken humor

  • Bedenk functionele overdrijvingen voor die eigenschappen van types mensen en dieren die het kind herkent en die irritatie kunnen opwekken. Strengheid, zeurpieterigheid, viezigheid, griezeligheid, ijdelheid, vraatzucht en zelfoverschatting zijn van die eigenschappen.
  • Geef de overdreven eigenschappen een rol in de handeling. Dat iemand te dik is, wordt pas leuk als de lichaamsomvang van belang is voor de ontwikkelingen in het verhaal. Dikmans zit vast in de deuropening en dat is een probleem dat opgelost zal moeten worden.
  • Laat de eigenschappen botsen in de dialoogpassages. Personages moeten elkaar niet tegenkomen om informatie uit te wisselen, er moet altijd frictie zijn in de interacties. Die frictie moet het gevolg zijn van de bepalende eigenschappen.

Eenvoudig? In principe wel.
Hoe eenvoudig of lastig dit is, kunt u nu zelf ervaren u bent weer toe aan de opdrachten.

Opdrachten hoofdstuk 13

1. Slapstick!
U kunt nagaan of deze vorm van humor u ligt, door een scène te schrijven waarin de onhandigheid van de personages zorgt voor totale onzin. Het sterk overdrijven van type-eigenschappen is toegestaan. 

2. Beschrijf een humoristische confrontatie tussen twee of drie personages, waarbij de eigenschappen van de figuren zorgen voor het meningsverschil en/of  het misverstand. U mag stevig uitpakken: de scène mag zeker het formaat van één pagina A4 hebben.

Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

Je kunt elke dag starten met de cursus Kinderboeken schrijven dus zet vandaag nog de eerste stap!

8 redenen om bij het NTI te studeren

  • Erkende opleidingen, gewaardeerd in het bedrijfsleven
  • Deskundige begeleiding door ervaren docenten
  • Voordelig lesgeld
  • Flexibel studeren
  • Studeren met veel persoonlijk contact
  • Modern studeren via onze online leeromgeving
  • Persoonlijke studiebegeleiding van een mentor
  • Studeren op kosten van de werkgever en/of de fiscus

Het nieuwe studeren begint hier

Bij het NTI studeer je op je eigen manier. Je kunt op ieder gewenst moment met de opleiding van je keuze beginnen. Dankzij het nieuwe studeren, bepaal je zelf waar en wanneer je studeert. Het nieuwe studeren brengt nog meer voordelen met zich mee. Het is de ideale combinatie van online thuisstudie en klassikale bijeenkomsten. Je volgt thuis een opleiding en je maakt gebruik van moderne studiemethodes waaronder de online leeromgeving, waar je contact met andere studenten en docenten hebt, e-modules, interactieve opdrachten en video-instructies. Hiernaast worden tijdens een groot deel van de opleidingen enkele praktijkdagen en/of workshops georganiseerd.

1 / 16