Proefles: Dieren EHBO

Houd je van dieren? Volg dan nu de cursus Dieren EHBO!

Met deze proefles krijg je een indruk van de beroepsopleiding Dieren EHBO van het NTI. Je krijgt inzicht in de lesstof. Je kan ook alvast vragen maken en deze zelf controleren. Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Heel veel succes en plezier met de proefles.

Lees ook de ervaring van Renske de Busschere:

Renske de Busschere: "Erg fijn om op mijn eigen tempo te studeren.Ik volg de opleiding dieren EHBO en Ik werk als vrijwilliger voor een stichting die katten helpt, dus mijn kennis kan ik direct in praktijk brengen. Het is fijn dat ik nu weet wat ik moet doen, mocht er een kat gewond of ziek zijn. Mijn studie is erg goed te combineren met het werk voor de stichting."

 

6 Geneesmiddelen

Er zijn veel soorten geneesmiddelen voor dieren in de handel. Elk middel heeft zijn eigen werkzaamheid en toedieningsvorm. 

Werkzaamheid Toedieningsvorm
Met de werkzaamheid van een medicijn wordt bedoeld waartegen het medicijn werkt. Onder toedieningsvorm wordt verstaan hoe een middel toegediend moet worden aan een dier. Dit heeft te maken met de uiterlijke vorm van een middel. Er ziijn verschillende vormen van geneesmiddelen. Denk hierbiij aan poeders, tabletten of een vloeistoffen.

6.1 Manieren van toediening

Medicijnen worden op verschillende manieren toegediend:

  • oraal: via de mond;
  • rectaal: via het anus;
  • lokaal: op een bepaalde plaats;
  • parenteraal: op een andere plaats dan via het maag-darmkanaal in het lichaam.

6.1.1 Orale toediening

Orale middelen ziijn middelen die via het slijmvlies van het maag-darmkanaal worden opgenomen. Vanuit het maag-darmkanaal worden de middelen in het bloed opgenomen. Sommige middelen blijven in het maag-darmkanaal om daar hun werking te doen. 

Orale middelen zijn dus alle middelen die via de bek worden ingegeven en die via het maag-darmkanaal hun plaats van bestemming bereiken. Voorbeelden van orale middelen zijn tabletten, poeders, vloeistoffen en pasta’s. Het oraal toedienen van medicijnen kan met behulp van het voer of het drinkwater. Met drinkwater is het echter niet zeker of alle medicijnen ook daadwerkelijk zijn ingegeven. Ook als een dier braakt of diarree heeft, is de kans groot dat het dier te weinig medicijn binnenkrijgt.

6.1.2 Rectale toediening

Rectale of anale middelen worden via de anus ingebracht. Een voorbeeld van een rectaal medicijn is de zetpil. Rectale middelen bestaan vaak uit een vettige substantie. Hierdoor is het inbrengen gemakkelijker. Het middel wordt snel door het slijmvlies van het rectum (het achterste gedeelte van de darm) opgenomen. Net als de orale middelen worden rectale middelen via het maag-darmkanaal door het lichaam opgenomen.

Een geneesmiddel wordt rectaal ingegeven omdat een dier bijvoorbeeld moeite met slikken heeft, misselijk is of problemen met de maag heeft. Ook bij dieren met een epileptische aanval is het moeilijk om medicijnen oraal in te geven. Het dier heeft dan te veel krampen. In dat geval worden speciale medicijnen, rectioles genaamd, via het rectum ingegeven. Ook een klysma is een voorbeeld van een rectale toedieningsvorm. Een klysma is een (vettige) vloeibare stof die in een knijptube zit. Klysma’s worden gebruikt om dieren te laxeren.

6.1.3 Lokale toediening

dieren ehboLokale preparaten worden direct op de te behandelen plek aangebracht. Lokale middelen zijn middelen die via de huid of het slijmvlies, anders dan de slijmvliezen van het maag-darmkanaal, worden opgenomen. Denk hierbij aan zalven, crèmes, sprays en vloeistoffen die op de huid, in het oor of in de ogen worden toegepast.

 

De lokale middelen werken direct op de aangebrachte plaats. Het middel wordt niet, of slechts gedeeltelijk, in de bloedbaan opgenomen. Hierdoor hebben lokale preparaten veel minder bijwerkingen.
Lokale preparaten zijn makkelijk te doseren en meestal makkelijk toe te passen. Soms zal het echter niet zo makkelijk zijn. Denk hierbij aan een anti-vlooienspray voor katten. Katten zijn vaak erg bang voor het geluid van de spray.
Een ander nadeel van lokale preparaten is dat dieren het middel zelf vaak weer kunnen oplikken. Denk maar aan huidzalven. Als een huidzalf word opgebracht, zal het dier enige tijd moeten worden afgeleid, bijvoorbeeld door te gaan wandelen.

6.1.4 Parenterale toediening

Parenterale toediening wordt gedaan bij middelen die niet via het maag-darmkanaal worden opgenomen. Ze worden gegeven via een injectie.

De meeste parenterale toedieningen mogen alleen door een dierenarts worden gegeven. Een uitzondering hierop is het toedienen van insuline. Eigenaren mogen hun dieren zelf inspuiten met insuline. 

Er zijn verschillende vormen parenterale middelen:

  • subcutaan (sc): onder de huid;
  • intradermaal (id): in de huid;
  • intramusculair (im): in de spieren;
  • intraveneus (iv): in de bloedbaan;
  • intracardiaal (ic): in het hart;
  • intraperitoniaal (ip): in de buik. 

Een subcutane injectie wordt onder de huid gegeven. 

Een intramusculaire injectie wordt vaak in de bilspier gegeven.

6.2 Farmaceutische aspecten van een diergeneesmiddel

De farmaceutische aspecten geven de kenmerken van geneesmiddelen aan. ‘Farmacon’ is het Griekse woord voor ‘geneesmiddel’. Een geneesmiddel heeft verschillende farmaceutische aspecten, zoals:

  • Welke vorm heeft dit middel (tabletten, inijecties, capsules en dergelijke)?
  • Wat is de werkzame stof?
  • Wat doet het middel? (Werkt het op de blaas in of op de keel? Remt het ontstekingen of verlaagt het middel de koorts?)
  • Voor welk diersoort is dit middel bedoeld?
  • Hoe vaak moet het middel worden gegeven?
  • Hoe moet het middel worden gegeven (oplossen in water, voor het eten, na het eten en dergelijke)? 

In de bijsluiter van een middel staat, als het goed is, het antwoord op de bovenstaande vragen gegeven. Het is dus belangrijk om bij de toediening van een geneesmiddel eerst de bijsluiter te lezen. 

In deze paragraaf gaan we dieper in op de kenmerken van de verschillende, meest gangbare, preparaten.

6.2.1 Orale preparaten

De orale middelen zijn, zoals gezegd, de middelen die via het slijmvlies van het maag-darmkanaal worden opgenomen. We behandelen hieronder de verschillende orale preparaten. 

dieren ehboTabletten
Tabletten zijn vervaardigd uit samengeperste poedermengsels. Er komen steeds meer tabletten op de markt die aan de buitenkant een laagje met een smaakje bevatten. Het dier neemt daardoor het tablet gemakkelijker in. Tabletten zijn plat en rond van vorm. Sommige tabletten zijn voorzien van een breekgleuf. Hierdoor zijn ze makkelijk in tweeën te delen. 

dieren ehboDragees
Een dragee is een tablet met een glad laagje eromheen. Bepaalde vitaminetabletten voor mensen hebben bijvoorbeeld zo’n gecoat laagje. Dragees hebben een glad laagje aan de buitenkant. Door het gecoate laagje wordt de dragee gemakkelijker doorgeslikt. Het blijft niet, zoals tabletten, in de keel plakken. De zure maag heeft ook geen invloed op dit laagje. Hierdoor zal het werkzame bestanddeel zonder problemen de maag passeren en pas in de darm het geneesmiddel afgeven.

Bolussen
Een bolus is niets anders dan een tablet, alleen is deze groter en ovaal van vorm. De bolus is een typisch diergeneesmiddel dat bij de humane geneeskunde niet voorkomt. Ontwormingsmiddellen, zoals die bij de landbouwhuisdieren gebruikt worden, zijn vaak in de vorm van bolussen. 

Poeders
Poeders worden vaak toegediend over het voer of via het drinkwater. Vaak worden poeders bij koppelmedicatie gebruikt. Dat wil zeggen dat een grote groep dieren in één keer wordt behandeld. Koppelmedicatie wordt vaak in de varken- of rundveehouderij toegepast, maar ook bij vogels in volières. De medicijnen worden dan via het drinkwater of het voer voor het hele koppel toegediend.

Bij koppelmedicatie is het nadeel dat niet precies nagegaan kan worden hoeveel een dier van het geneesmiddel binnenkrijgt. Een ander nadeel is dat een ziek dier meestal minder eet of drinkt, en poeders in drinkwater zijn vaak niet smakelijk. Ten slotte zijn poeders kwetsbaar en vochtgevoelig.

Granulaat
Granulaat zijn kleine korreltijes. Deze korreltijes worden over het voer toegediend. Ze zijn wat grover van structuur dan de poeders. Granulaat heeft dezelfde voor- en nadelen als poeders.

Capsules
dieren ehboEen capsule is een poeder met een omhulsel. Dit omhulsel is langwerpig van vorm met afgeronde uiteinden. Het omhulsel bestaat meestal uit gelatine.
Het voordeel van een capsule is dat een capsule minder kwetsbaar is dan een poeder of een granulaat. Een capsule is steviger en minder vochtgevoelig. Ook geeft een capsule geen vieze smaak. 

Vloeistoffen
Een vloeistof is waterig en niet stroperig. In een vloeibaar preparaat is een geneesmiddel opgelost. Er zijn kant-en-klare oplossingen die zo kunnen worden ingegeven. Maar er zijn ook sterk geconcentreerde vloeistoffen die eerst verdund moeten worden met water.
Vloeistoffen kunnen via het drinkwater worden toegediend. Het nadeel is dat er op die manier geen controle is op de hoeveelheid die wordt ingenomen. Het is dan ook beter om een vloeistof direct in de bek in te geven met behulp van een spuitije.

Siropen
Een siroop is stroperiger dan een vloeistof. Een siroop is wel vloeibaar. Hoestdrankjes zijn voorbeelden van siropen. Aan een siroop is vaak een smaakje toegevoegd zodat het lekker smaakt.

Pasta’s
Een pasta is een dikke substantie. Pasta’s zitten in tubes. Veel ontwormingsmiddelen zijn er in pastavorm. Als de pasta toegediend wordt, blijft deze in de bek kleven. Het dier kan het hierdoor niets uitspugen. Als een kat de pasta niet in wil nemen via de bek, is het mogelijk de pasta op de voorpoot te smeren. Een kat zal zich altijd schoonlikken en op die manier de pasta binnenkrijgen. 

Suspensies
Suspensies zijn vloeistoffen met daarin onopgeloste deeltijes. De deeltijes geneesmiddel zijn heel fijn verdeeld. Het kan zijn dat het middel uitvlokt. Een suspensie moet dan ook altijd goed worden geschud of gezwenkt. Er zijn suspensies voor orale toediening en om te inijecteren. 

6.2.2 Lokale preparaten

De lokale preparaten die we achtereenvolgens gaan bespreken zijn de huid-, oog-, oor- en neuspreparaten.

Huidpreparaten
De huidpreparaten zijn er in de vorm van een zalf, een crème, een spray of een pipet. Ze worden direct op de huid gesmeerd of gespoten en doen daar hun werk. Het verschil tussen een zalf en een crème is dat een zalf op vetbasis en een crème op waterbasis is gemaakt.

Het sprayen van katten geeft nog weleens problemen doordat een kat schrikt. U kunt het middel dan eventueel eerst op watten spuiten en vervolgens op de huid smeren. Veel anti-vlooienmiddelen zijn in een sprayflacon te verkrijgen, maar ook als pipetjes voor in de nek. Het voordeel van deze pipetjes is dat het dier niet schrikt van het spray-geluid.

 

Oogpreparaten
dieren ehboHet oog is een zeer kwetsbaar orgaan dat snel geïrriteerd raakt. Een oogpreparaat moet dan ook steriel zijn. Oogpreparaten worden vaak in tubes of knijpflesjes verpakt. Op die manier blijven ze zo steriel mogelijk. De preparaten bevatten vaak conserveringsmiddelen om een langere houdbaarheid te verkrijgen.

Oogpreparaten zijn meestal als druppels of zalf vervaardigd. Een oogzalf moet dun vloeibaar zijn, waardoor het goed in het oog kan worden verdeeld. Zalven blijven langer in het oog zitten dan druppels. Het nadeel van zalf is wel dat het dier er wazig door gaat zien. Dit gebeurt met druppels minder. Bij gebruik van zalf is het aan te bevelen om de zalf eerst in de hand wat te verwarmen. Doordat de zalf dan iets vloeibaarder wordt, kan deze zich beter in het oog verspreiden.

Het is van groot belang dat de dierenarts een goede diagnose stelt, voordat er oogdruppels of -zalf wordt voorgeschreven. Als het oog beschadigd is, kan een verkeerd medicijn grote ellende veroorzaken.

Oorpreparaten
Voor aandoeningen aan de uitwendige gehoorgangen, zoals de oorschelp, worden oorzalven of oordruppels gebruikt. De zalven en druppels zijn vaak vettig. Hierdoor blijven ze goed in de gehoorgang zitten.
Als het trommelvlies niet beschadigd is, dan hoeft het middel niet noodzakelijk steriel te zijn. Bij een gescheurd trommelvlies of bij aandoeningen in het middenoor moeten de preparaten wel steriel zijn. Ook mogen de preparaten niet giftig zijn voor het binnenoor.  Alle antibiotica zijn echter wel giftig; dus niet geschikt om toe te dienen bij aandoeningen aan het trommelvlies of binnenoor. Ook moet het middel op waterbasis zijn.

Ook hier is het dus van belang dat de dierenarts het oor goed bekijkt voordat het dier een oorpreparaat krijgt. Vaak moet de gehoorgang eerst worden schoongespoeld zodat het trommelvlies kan worden bekeken. Bij het gebruik van zalf is het handig om de tube eerst in de hand te verwarmen. Hierdoor wordt de zalf vloeibaarder en zal de zalf zich beter in het oor verspreiden. 

Neuspreparaten
Neuspreparaten worden in de neus toegediend voor een lokaal effect. De middelen die gebruikt worden zijn druppels, zalven en sprays. Voor kennelhoest bij de hond of niesziekte bij de kat bijvoorbeeld bestaan vaccinaties die in de neus worden toegediend. Hierdoor heeft het middel veel sneller effect dan een inijectie die eerst geheel in de bloedbaan moet worden opgenomen om te werken.

6.2.3 Parenterale preparaten

Parenterale preparaten worden geïnijecteerd. Er zijn veel manieren waarop geïnjecteerd kan worden. De meest gangbare manieren zijn:
- subcutane preparaten;
- intradermale preparaten;
- intramusculaire preparaten;
- intraveneuze preparaten;
- intracardiale preparaten;
- intraperitoniale preparaten.

Subcutane preparaten
‘Subcutaan’ betekent ‘onder de huid’. Dit wil zeggen dat de injectievloeistof onder de huid wordt gespoten. Subcutane preparaten zijn vloeistoffen die zowel waterig als wat stroperig kunnen zijn. Deze laatste hebben dan een hogere viscositeit. Een middel met een hoge viscositeit is erg stroperig. Een middel met een lage viscositeit is waterig. Suspensies kunnen ook onder de huid worden gespoten.

Een voorbeeld van een subcutaan preparaat is de jaarlijkse vaccinatie van de hond en kat. De huid wordt opgepakt en de naald wordt onder de huid gebracht. Doorgaans wordt de huid in de nek of de lies gebruikt. Op deze plaatsen zit de huid namelijk vrij los van het lichaam. Deze plaatsen zijn ook het minst pijnlijk voor het dier.

Een ander veelgebruikt subcutaan preparaat is het onderhuids infuus. Een fysiologische zoutoplossing wordt hierbij onder de huid gespoten. Een onderhuids infuus wordt toegepast bij dieren die uitgedroogd zijn, bijvoorbeeld omdat de nierfunctie niet goed meer werkt. 

Vooral bij grotere honden wordt in dit geval meestal een infuus aangelegd, zoals we dat in de humane geneeskunde kennen. Grote honden moeten namelijk vaak zo veel infuus hebben dat dit niet meer onderhuids kan worden gespoten. De bloedvaten bij kleinere dieren zijn kleiner, waardoor een ‘normaal’ infuus moeilijker aan te leggen is. De opname van een subcutaan middel duurt langer dan een middel dat direct in de ader of in de spier wordt gespoten.

Intradermale preparaten
‘Intra’ is het Latijnse woord voor ‘in’ of ‘binnen’. ‘Derma’ is Grieks voor ‘huid’. Een intradermaal preparaat wordt dus in de huid gespoten. Dit soort preparaten wordt vooral toegepast bij allergietesten. Hierbij worden verschillende vloeistoffen in de huid gespoten. Na een bepaalde tijd wordt er gekeken of er een allergische reactie heeft plaatsgevonden. 

Intramusculaire preparaten
Intramusculaire preparaten zijn middelen die in een spier worden gespoten. Bij kleine huisdieren wordt er meestal in de dijspier geïnijecteerd. Een intramusculaire inijectie wordt snel in de bloedbaan opgenomen. Een voorbeeld van een intramusculair preparaat zijn narcosemiddelen. 

Intramusculaire preparaten lijken op subcutane preparaten. Het is echter niet zo dat een intramusculair preparaat onder de huid kan worden gespoten of een subcutaan in de spieren.

De eisen voor een intramusculair preparaat zijn minder streng dan bij een middel dat direct in de bloedbaan gespoten wordt. Het zijn vloeibare middelen, maar deze kunnen onopgeloste middelen bevatten. De steriliteit is hierbij ook minder streng dan bij middelen die direct in de bloedbaan worden geïnjecteerd.

Intraveneuze preparaten
Intraveneuze preparaten zijn vloeibare middelen die direct in de ader gespoten worden. Aan deze toedieningsvorm worden strenge eisen gesteld. Het middel moet steriel zijn. Verder mag het niet vlokken of onopgeloste deeltjes bevatten. Intraveneuze preparaten zijn direct beschikbaar voor het lichaam en werken snel. Ze worden immers direct in de bloedbaan gespoten. Bij de hond en de kat wordt de halsader of de ader in de voorpoot gebruikt. Voorbeelden van intraveneuze preparaten zijn euthesaet of T61. Dit zijn middelen om dieren in te laten slapen.

Intracardiale preparaten
‘Cardiaal’ is het Latijnse woord voor ‘met betrekking tot het hart’. Intracardiale preparaten worden dus in het hart gespoten. Deze techniek wordt soms toegepast bij euthanasie. Het dier krijgt eerst een narcosemiddel in de spieren toegediend. Als het dier in slaap is, wordt een overdosis narcosemiddel direct in het hart gespoten. In het hart werkt dit sneller dan in een ader.

Intraperitoniale preparaten
Het woord ‘peritoneum’ betekent ‘buikvlies’. Intraperitoniale preparaten worden binnen het buikvlies gespoten, dus in de buik. Ook deze vorm van inijecteren wordt soms bij euthanasie toegepast. Bij knaagdieren en vogels wordt hierbij het narcosemiddel in de buikholte gespoten.

Een ander voorbeeld van een intraperitoniale injectie is een suikeroplossing in de buikholte van een onderkoelde big spuiten. Het voordeel van intraperitoniaal injecteren is dat een grote hoeveelheid vloeistof kan worden geïnjecteerd. Er vindt een vrij snelle opname plaats doordat de buikholte goed doorbloed is.

6.3 Houdbaarheid en bewaarcondities

dieren ehboEen belangrijk kwaliteitsaspect van een diergeneesmiddel is de houdbaarheid. Er is een aantal factoren dat van invloed kan zijn op de houdbaarheid. Deze factoren zijn:
- de stabiliteit van de werkzame bestanddelen;
- de samenstelling van het middel;
- de toevoeging van conserveringsmiddelen;
- de bewaarcondities. 

Op elke verpakking staat een uiterste houdbaarheidsdatum en een gebruikstermijn. De houdbaarheidsdatum is de termijn waarbinnen het middel onaangebroken kan worden bewaard. De gebruikstermijn is de termijn waarbinnen het aangebroken middel kan worden gebruikt.
De stabiliteit van de bestanddelen en de samenstelling van een middel zijn door de fabrikant getest. Aan de hand van deze testen worden de houdbaarheidsen de gebruikstermijn bepaald. Het is voorstelbaar dat een bestanddeel na een bepaalde tijd gaat veranderen of een reactie gaat geven op de andere bestanddelen. Hierdoor kan de samenstelling en de werkzaamheid veranderen. Een middel dat ver over de datum is, kan dan niet meer werken of zelfs schadelijk zijn.
Ook met de bewaarcondities moet rekening worden gehouden. Die staan altijd op de verpakking vermeld. Zo staat er op de verpakking of een middel in het donker of bij kamertemperatuur moet worden bewaard. Als niet aan de bewaarcondities wordt voldaan, dan geldt de houdbaarheidsdatum niet!

De keuze van de verpakking kan de houdbaarheid beïnvloeden. Een medicijn dat in een tube is verpakt, is langer houdbaar dan in een pot. Tabletten zijn vaak verpakt in doordrukstrips. Hierdoor zijn ze langer houdbaar dan als ze los in een potije of zakje zitten. Injectiemiddelen die in het donker bewaard moeten worden, zijn vaak verpakt in flesjes van donkerbruin glas.

 

In de tabel staan de algemene gebruikstermijnen van verschillende geneeskundige preparaten. Houd er hierbij rekening mee dat het om richtlijnen gaat en dat het altijd verstandig is de datum op de verpakking te controleren. 

toedieningsvorm gebruikstermin
injectievloeistof, geconserveerd 1 maand
injectievloeistof, niet geconserveerd 24 uur
oogdruppels, waterhoudend 1 maand
oogzalf, watervrij 6 maanden
oogzalf, waterhoudend 1 maand
crème, waterhoudend in een pot 3 maanden
crème, waterhoudend in een tube 1 jaar
zalf, watervrij in een pot 6 maanden
zalf, watervrij in een tube 3 jaar
tablet, capsule, in een pot 1 jaar
poeder (vochtvrij bewaard) 1 jaar
drank, druppels (oraal), waterhoudend 6 maanden

6.4 Wet op de diergeneesmiddelen

In de Wet op de diergeneesmiddelen staan allerlei regels beschreven die van toepassing zijn op diergeneesmiddelen. Het is niet nodig om deze wet uitgebreid te kennen. Wel zult u, tijdens uw werk als dierenartsassistent, de termen vrije middelen, UDA-middelen en UDD-middelen vaak horen. Dit zijn belangrijke termen die we hieronder zullen bespreken. 

Niet alle middelen mogen namelijk door een eigenaar, pensionhouder of dierverzorger toegediend worden. In de Diergeneesmiddelenwet zijn verschillende categorieën beschreven.

Vrije middelen
Vrije geneesmiddelen mogen in dierenwinkels worden verkocht. Iedereen mag ze toedienen. Denk hierbij aan veel vlooien- en wormenmiddelen.

UDA-middelen
UDA-middelen mogen eigenaren wel toedienen. Ze zijn echter alleen bij de dierenarts verkrijgbaar. Dit zijn dus vaak medicijnen die eigenaren meekrijgen van de dierenarts, zoals antibioticakuren.

UDD-middelen
UDD-middelen mag alleen de dierenarts toedienen. Denk hierbij aan de verschillende injecties die de dierenarts geeft. 

6. Ten slotte

Geneesmiddelen zijn er in allerlei vormen. In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste vormen besproken. Ook zijn de belangrijkste kenmerken van de verschillende toedieningsvormen besproken.

Belangrijk is dat medicijnen op een goede manier worden bewaard. Op de verpakking staat hoe en hoelang een bepaald medicijn bewaard kan blijven.

De dierenarts mag alle medicijnen toedienen. Sommige medicijnen mogen ook door eigenaren zelf worden toegediend.

Oefenopgaven

1 Geneesmiddelen zijn er in verschillende toedieningsvormen.
a. Wat wordt er onder ‘toedieningsvorm’ verstaan?
b. Geef een voorbeeld van een toedieningsvorm. 

2 a. Wat zijn orale middelen?
b. Geef twee voorbeelden van orale middelen. 

3 Wat zijn de nadelen van medicatie via het voer of drinkwater? 

4 a. Wat zijn lokale preparaten?
b. Geef twee voorbeelden van lokale preparaten. 

5 a. Wat zijn parenterale middelen?
b. Mogen parenterale middelen door iedereen worden gegeven? 

6 Noem drie farmaceutische aspecten van een diergeneesmiddel. 

7 Wat zijn de voordelen van een dragee? 

8 Wat is een bolus?

9 Vloeistoffen, siropen en suspensies zijn vloeibare medicijnen.
Wat is het verschil tussen deze verschillende medicijnen?

10 Wat is een belangrijke eis waar een oogpreparaat aan moet voldoen?

11 Welke zes verschillende parenterale toedieningsvormen kent u?

12 Welke factoren kunnen de houdbaarheid van een geneesmiddel beïnvloeden?

13 Wat is het verschil tussen de houdbaarheidsdatum en gebruikstermijn?

14 a. Wat zijn vrije middelen?
b. Wat is het verschil tussen UDA- en UDD-medicijnen?

Huiswerkopgaven

1 Lees de volgende zinnen. Welke zin is juist?
A Een eigenaar mag alle geneesmiddelen zelf aan zijn dier geven.
B Een eigenaar mag UDA-middelen aan zijn dier geven.
C Een dierenwinkel mag UDA-middelen verkopen.
D Een dierenwinkel mag UDD-middelen verkopen. 

2 Maak de volgende zin af. Een vlooienpipet is een voorbeeld van een ...
A parenterale toediening.
B orale toediening.
C rectale toediening.
D lokale toediening.

3 Maak de volgende zin af. Een klysma is een voorbeeld van een ...
A parenterale toediening.
B orale toediening.
C rectale toediening.
D lokale toediening.

4 Wat voor soort toediening is een oorzalf?
A Een parenterale toediening.
B Een orale toediening.
C Een rectale toediening.
D Een lokale toediening. 

5 Wat voor toediening is een intramusculaire injectievloeistof?
A Een parenterale toediening.
B Een orale toediening.
C Een rectale toediening.
D Een lokale toediening. 

6 Wat kan een reden zijn om een middel rectaal te geven?
A Een maagirritatie.
B Een darmirritatie.
C Als een middel lokaal moet werken.
D Als een middel lang moet werken. 

7 Welke toedieningsvorm wordt het snelst in de bloedbaan opgenomen?
A Een intraveneuze toediening.
B Een orale toediening.
C Een subcutane toediening.
D Een lokale toediening.

8 Wat zijn lokale preparaten?
A Alle middelen die via het slijmvlies van het maag-darmkanaal worden opgenomen.
B Alle middelen die per injectie worden gegeven.

C Alle middelen die via de huid en slijmvliezen (behalve die van het maag-darmkanaal) worden opgenomen.
D Alle middelen die anaal worden gegeven.

9 Wat valt niet onder de kenmerken van een geneesmiddel?
A De uiterlijke vorm.
B De werkzame stof.
C De kleur van het middel.
D De samenstelling van het middel. 

10 Wat is een voordeel van een gecoat tablet?
A Deze werkt sneller dan een normaal tablet.
B Deze passeert zonder problemen de zure maag.
C Deze werkt lokaal.
D Deze kan ook rectaal worden ingebracht.

11 Over welke toedieningsvorm gaat de volgende zin?
Het is een groot ovaal tablet. Deze toedieningsvorm wordt nog weleens gebruikt bij ontwormingsmiddelen voor landbouwhuisdieren.
A Een bolus.
B Een granulaat.
C Een capsule.
D Een tablet.

12 Welk middel is erg kwetsbaar en vochtgevoelig?
A Een capsule.
B Een siroop.
C Een poeder.
D Een suspensie.

13 Lees de volgende zinnen. Welke zin is juist?
A Een suspensie is een dikke substantie en zit vaak in een tube.
B Een suspensie vlokt uit en moet voor gebruik worden geschud of gezwenkt.
C Een suspensie werkt meestal lokaal.
D Een suspensie wordt vaak gebruikt bij koppelmedicatie. 

14 Vul de volgende zin in. Een capsule ... dan een poeder.
A werkt sneller
B is viezer
C is minder vochtgevoelig
D is kwetsbaarder

15 Maak de volgende zin af. Als een kat een ontstoken oog heeft, ...
A kan de assistent het beste direct een tube oogzalf meegeven.
B kan de dierenarts het beste direct een tube oogzalf meegeven.
C moet de dierenarts nog verder onderzoek doen.
D kan de eigenaar het beste in de dierenwinkel oogdruppels gaan kopen. 

16 Bij een vies oor is het noodzakelijk dat het oor eerst wordt schoongespoeld. Waarom?
A Omdat de dierenarts zo beter het binnenoor kan bekijken.
B Omdat anders het geneesmiddel niet in de bloedbaan wordt opgenomen.
C Omdat de dierenarts zo beter het trommelvlies kan inspecteren.
D Omdat de eigenaar dan beter kan zien hoeveel zalf hij in het oor moet aanbrengen.

17 Maak de volgende zin af. Een intraperitoniale toediening is ...
A een onderhuidse injectie.
B een injectie in de huid.
C een injectie in het hart.
D een injectie in de buikholte.

Antwoorden

1a Onder toedieningsvorm wordt verstaan hoe een middel aan een dier moet worden toegediend.
b Voorbeelden van toedieningsvormen zijn oraal, rectaal, lokaal en parenteraal. 

2a Orale middelen zijn middelen die in de mond moeten worden ingegeven en die via het maag-darmkanaal hun werk doen.
b Voorbeelden van orale middelen zijn tabletten, poeders, vloeistoffen en pasta’s. 

3 Bij het toedienen via het drinkwater is het niet zeker of alle medicijnen ook daadwerkelijk zijn ingegeven. 

4a Lokale preparaten worden direct op de te behandelen plek aangebracht. Lokale middelen zijn middelen die via de huid of het slijmvlies, anders dan de slijmvliezen van het maag-darmkanaal, worden opgenomen.
b Voorbeelden van lokale middelen zijn zalven, crèmes, sprays en vloeistoffen die op de huid, in het oor of in de ogen worden toegepast. 

5a Parenterale toediening wordt gedaan bij middelen die niet via het maag-darmkanaal worden opgenomen. Ze worden gegeven via een inijectie.
b Nee, de meeste niet. Die mogen alleen door de dierenarts worden gegeven. Een uitzondering hierop is het toedienen van insuline. 

6 Een geneesmiddel heeft verschillende farmaceutische aspecten, zoals:
• Welke vorm heeft dit middel (tabletten, inijecties, capsules en dergelijke)?
• Wat is de werkzame stof?
• Wat doet het middel? (Werkt het op de blaas in of op de keel? Remt het ontstekingen of verlaagt het middel de koorts?)

Voor welk diersoort is dit middel bedoeld?
• Hoe vaak moet het middel worden gegeven?
• Hoe moet het middel worden gegeven (oplossen in water, voor het eten, na het eten en dergelijke)?

7 Door het gecoate laagje wordt de dragee gemakkelijker doorgeslikt. Het blijft niet, zoals tabletten, in de keel plakken. De zure maag heeft ook geen invloed op dit laagje. Hierdoor zal het werkzame bestanddeel zonder problemen de maag passeren en pas in de darm het geneesmiddel afgeven.

8 Een bolus is niets anders dan een tablet, alleen is deze groter en ovaal van vorm. 

9 Een vloeistof is waterig en niet stroperig. Een siroop is stroperiger dan een vloeistof. Suspensies zijn vloeistoffen met daarin onopgeloste deeltijes.

10 Het oog is een zeer kwetsbaar orgaan dat snel geïrriteerd raakt. Een oogpreparaat moet dan ook steriel zijn. 

11 De meest gangbare manieren zijn:
• subcutane preparaten;
• intradermale preparaten;
• intramusculaire preparaten;
• intraveneuze preparaten;
• intracardiale preparaten;
• intraperitoniale preparaten. 

12 Deze factoren zijn:
• de stabiliteit van de werkzame bestanddelen;
• de samenstelling van het middel;
• de toevoeging van conserveringsmiddelen;
• de bewaarcondities.

Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

Je kunt elke dag starten met de cursus Dieren EHBO dus zet vandaag nog de eerste stap!

8 redenen om bij het NTI te studeren

  1. Erkende opleidingen, gewaardeerd in het bedrijfsleven
  2. Prettige en deskundige begeleiding door ervaren docenten
  3. Voordelig lesgeld
  4. Flexibel studeren
  5. Studeren met veel persoonlijk contact
  6. Modern studeren via onze online leeromgeving
  7. Persoonlijke studiebegeleiding van een mentor
  8. Studeren op kosten van de werkgever en/of de fiscus

Het nieuwe studeren begint bij het NTI

Bij het NTI studeer je op je eigen manier. Je kunt op ieder gewenst moment met de opleiding van je keuze beginnen. Dankzij het nieuwe studeren, bepaal je zelf waar en wanneer je studeert. Het nieuwe studeren brengt nog meer voordelen met zich mee. Het is de ideale combinatie van online thuisstudie en klassikale bijeenkomsten. Je volgt thuis een opleiding en je maakt gebruik van moderne studiemethodes waaronder de online leeromgeving, waar je contact met andere studenten en docenten hebt, e-modules, interactieve opdrachten en video-instructies. Hiernaast worden tijdens een groot deel van de opleidingen enkele praktijkdagen en/of workshops georganiseerd.

 

1 / 23