Proefles: Basis medische vakken

Spijker je kennis van medische vakken bij met het NTI!

Met deze proefles krijg je een indruk van de beroepsopleiding Basis medische vakken van het NTI. Je krijgt inzicht in de lesstof. Je kan ook alvast vragen maken en deze zelf controleren. Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Heel veel succes en plezier met de proefles.


14.1 Indeling van receptoren

Naast de indeling in de vijf zintuigen zijn er ook twee indelingen waar alle menselijke receptoren onder vallen. Zo’n indeling is bijvoorbeeld de indeling naar specifieke gevoeligheid:

    • mechanoreceptoren

Deze receptoren zijn gevoelig voor mechanische prikkels, zoals tast, druk, vervormingen en trillingen. De receptoren komen voor in de huid, in de spieren en in gewrichtskapsels en banden. De zintuigcellen in de oren behoren ook tot de mechanoreceptoren.

    • thermoreceptoren

Dit zijn receptoren die temperatuurverschillen waarnemen. Deze warmteen koudezintuigen bevinden zich vooral in de huid en in bepaalde bloedvaten van de hypothalamus (een onderdeel van de tussenhersenen). Deze laatste receptoren zijn gevoelig voor temperatuurveranderingen van het bloed en spelen een rol in de temperatuurregulatie van het lichaam.

    • chemoreceptoren

Deze receptoren zijn gevoelig voor de aanwezigheid van chemische stoffen (opgelost in een vloeistof). De receptoren in de neus (reuk) en in de mond/ tong (smaak) worden door dergelijke chemische oplossingen geprikkeld. Hieronder vallen ook de zuurgraadreceptoren in de halsslagaders en aorta, die gevoelig zijn voor de zuurgraad van het bloed en van belang zijn bij de regulering van de ademhaling. Ook de vrije zenuwuiteinden die we gebruiken voor de waarneming van pijn, vallen onder de chemoreceptoren (zie hierna).

  • elektromagnetische receptoren

    Deze receptoren vindt u in het netvlies van de ogen. Dit zijn lichtgevoelige elementen, staafjes en kegeltjes, die de licht- en kleurprikkels (elektromagnetische golven) omzetten in zenuwimpulsen.

14.2 Anatomie en fysiologie van de zintuigen

Voor we een aantal zintuigen uitgebreid bespreken, gaan we kort in op de gevoelsreceptoren. Dit zijn receptoren waarmee tast, worden waargenomen. Alleen de receptoren voor tast, koude en warmte behoren tot de echte zintuigen, omdat we deze informatie van buitenaf opnemen. Deze zintuigen liggen in het huidoppervlak (zie ook hoofdstuk 15). De pijnreceptoren zijn vrije zenuwuiteinden die her en der door het lichaam verspreid liggen. Deze vrije zenuwuiteinden worden geprikkeld als er in de directe omgeving cellen of weefsels beschadigd worden. Bij deze beschadiging komen bepaalde chemische stoffen vrij, waarvoor de vrije zenuwuiteinden gevoelig zijn. Hoe meer weefselbeschadiging, hoe meer chemische stoffen er vrijkomen en hoe meer pijn u voelt. Pijn is een waarschuwing voor het beschadigen van cellen en weefsels. (Als er een zeer kleine hoeveelheid chemische stoffeneen vrij zenuwuiteinde prikkelt, ervaren we dit niet als pijn, maar als jeuk.) De informatie over spierspanning en de standen en bewegingen van gewrichten noemen we de propriocepsis. Hiervoor liggen verschillende mechanoreceptoren (rek en druk) in de gewrichtskapsels en -ligamenten en in de spieren (spierspoeltjes).

De reukzintuigen (de neus)

Het reukorgaan, het zintuig waarmee men geuren kan waarnemen, ligt hoog in de neusholten. De inwendige neus bestaat uit twee neusholten, die word gescheiden door een tussenschot (zie hoofdstuk 8). Tegen het neustussenschot bevindt zich in het slijmvlies het reukepitheel. In dit epitheel liggen tussen de steuncellen de eigenlijke reukcellen, die het gewaarworden van geuren mogelijk maken.

Het werkelijke ruiken van stoffen in de lucht is alleen mogelijk als deze stoffen eerst opgelost zijn in het neusslijm. Hierdoor kunt u alleen goed ruiken als er voldoende neusslijmvlies aanwezig is. De opgeloste stof komt op de reukhaartjes die het membraan van de reukcellen activeren. De reukprikkel gaat daarna via zenuwvezels van de reukzenuw (n. olfactorius, n. I) naar de hersenen, waar de gewaarwording van de geur plaatsvindt.

De functie van het reukorgaan is de beoordeling van de lucht die wordt ingeademd. Hierdoor heeft het reukorgaan een belangrijke beschermende rol als waarschuwingssignaal bij (ruikbare) giftige stoffen. Tevens vervult het reukorgaan een belangrijke rol bij de smaakbeoordeling. De smaak van voedsel en drank gaat namelijk vergezeld van geuren, die met de smaak samenhangen. In de praktijk blijkt de geur meestal belangrijker te zijn dan de smaak. Bij mensen met een verstopte neus smaakt het eten minder (of niet), omdat er geen geuren worden waargenomen.

De smaakzintuigen (de tong)

De smaakzintuigen liggen op verschillende plaatsen op de tong in het gehemelte. De smaakprikkels worden met name waargenomen door kleine uitstulpingen op de tong: de papillen. In de diepte van deze papillen bevinden zich smaakknoppen met daarin de smaakcellen, die in verbinding staan met hersenzenuwen (n. VII en n. IX). Net als bij het ruiken moeten de stoffen eerst opgelost zijn in een vloeistof voordat u ze kunt proeven. Droge stoffen moeten dus eerst goed gekauwd worden en vermengd zijn met speeksel om de smaak ervan waar te nemen.

Er bestaan vier soorten smaakpapillen die gespecialiseerd zijn in een viertal smaakkwaliteiten. Deze soorten papillen liggen op verschillende locaties op de tong (zie figuur 60):

  • zoet, vooral op de punt van de tong;
  • zuur, vooral aan de zijkanten van de tong;
  • bitter, vooral achter op de tong;
  • zout, over de gehele tong, maar vooral op het voorste gedeelte van de zijkanten.

Bij de bespreking van de reuk is gezegd dat de smaak eigenlijk een combinatie is van reuk- en smaakprikkels. Ook bestaan er nauwe banden met de werking van de speeksel- en maagsapklieren; zodra men voedsel ruikt of proeft (of er zelfs aan denkt), zullen deze klieren beginnen met de aanmaak van speeksel en maagsap.

De gezichtszintuigen (de ogen)

Het gezichtsvermogen (visus) is gelegen in het netvlies van de ogen, waar de eigenlijke lichtgevoelige receptoren liggen. Deze netvliezen zijn, om hun taak goed te kunnen verrichten, van een aantal zeer belangrijke hulporganen voorzien. Deze hulporganen zijn gedeeltelijk vóór en gedeeltelijk in de oogholte gelegen.

Bouw van het oog

Het oog is bolvormig, met een doorsnede van ongeveer 2,4 centimeter, en ligt deels beschermd in de oogkas (orbita) in de aangezichtsschedel. In deze oogkas kan het oog circa vijftig graden draaien door middel van een zestal oogspieren. De wenkbrauwen boven de ogen dienen om transpiratievocht te beletten in het oog te lopen. De oogbol wordt aan de voorzijde beschermd door huidplooien, de oogleden.

De buitenzijde van de oogleden wordt gevormd door de huid en de binnenzijde door slijmvlies dat over de voorzijde van de oogbol heen schuift. Door het knipperen van de ogen komt uit een klier boven de buitenste ooghoek helder traanvocht vrij, dat het oog vochtig en schoon houdt. Met name de buitenste laag van het oog (het hoornvlies) is heel gevoelig voor uitdroging. (Bij uitdroging kan het hoornvlies vertroebelen en daardoor minder doorlaatbaar worden voor lichtstralen.) De afvoer van het traanvocht verloopt via de traankanalen, die ontspringen aan de randen van de oogleden in de buurt van de neus. De beide traankanaaltjes monden uit in de traanzakjes, die weer met traanbuisjes (ductus lacrimalis) in verbinding staan met de neus. Het traanvocht komt dus uiteindelijk in de neus terecht. Dit verklaart het verschijnsel van een loopneus bij een overvloed aan tranen.

De wand van de oogbol (zie figuur 61) is opgebouwd uit drie lagen:

  1. De harde oogrok (sclera). Deze zorgt voor stevigheid en bescherming en vormt de buitenste laag van het oog. De sclera is wit van kleur. Aan de voorzijde is de harde oogrok doorzichtig en vormt daar het hoornvlies (cornea). Het gedeelte van de sclera rondom het hoornvlies is bedekt met een dun laagje bindvlies: de conjunctiva. Dit bindweefselvlies bevat zeer veel vrije zenuwuiteinden en is dus zeer gevoelig voor pijn.
  2. Het vaatvlies (choroidea). Dit vlies vormt de binnenbekleding van de sclera en bevat veel bloedvaten en lymfespleten. Het zorgt voor de bloedvoorziening van het oog. Aan de voorzijde gaat het vaatvlies over in het regenboogvlies (iris). De iris bekleedt de binnenkant van het hoornvlies en bepaalt door de aanwezigheid van pigment (kleurstof) de kleur van de ogen. In het midden van de iris bevindt zich een ronde opening, de pupil, die als een zwart gat zichtbaar is. In de rand van de iris zitten kleine spiertjes die afhankelijk van de hoeveelheid invallend licht de grootte van de pupilopening regelen.
  3. Het netvlies (retina). Dit is de binnenste laag van de oogbol en bevat de eigenlijke lichtgevoelige zintuigcellen. Deze zenuwcellen zijn te verdelen in twee soorten, die – naar hun vorm – staafjes en kegeltjes genoemd worden. De staafjes en kegeltjes hebben een verschillende lichtgevoeligheid en daardoor verschillende functies bij het zien. 

De kegeltjes liggen vooral centraal in het netvlies en nemen in aantal af naar de randen van de retina. De kegeltjes gebruikt u met name overdag als er veel licht is. Ze zijn gevoelig voor kleuren (ezelsbruggetje: Kegeltjes  Kleuren). Er zijn drie typen kegeltjes, ieder gevoelig voor een andere kleur. Dit zijn de kleuren rood, blauw en groen. Ontbreekt een van deze typen kegeltjes, dan bent u niet in staat om bepaalde kleuren van elkaar te onderscheiden. We noemen dit kleurenblindheid. Aangezien u de kegeltjes alleen bij voldoende ens wimpers harde oogrok met conjunctiva pupil wenkbrauw achterste oogkamer voorste oogkamer hoornvlies pupil straalvormig lichaam glasachtig lichaam regenboogvlies regenboogvlies harde oogrok vaatvlies oogzenuw blinde vlek gele vlek netvlies 282 Anatomie en fysiologie nachtblindheid blinde vlek pupil accommodatie licht (overdag) kunt gebruiken, is in het donker iedereen kleurenblind. De staafjes nemen in dichtheid toe naar de randen van het netvlies. Ze zijn vele malen gevoeliger voor licht en u gebruikt ze met name voor het zien in het donker. Ze dienen vooral voor het waarnemen van verschillende kleuren grijs. 

Bij de werking van de staafjes speelt een chemisch proces met vitamine A een belangrijke rol. Dit chemische proces heeft even tijd nodig. Hierdoor moet u, als u van het licht ineens in het donker komt, even wachten voordat u goed kunt zien. Een gebrek aan vitamine A geeft een vermindering van het gezichtsvermogen in het donker en leidt tot nachtblindheid. De zenuwuitlopers (neurieten) van de zintuigcellen lopen oppervlakkig over de retina naar de plaats waar zij het oog verlaten via de oogzenuw. Op deze plaats bevinden zich géén lichtgevoelige elementen. Op deze plaats wordt dus geen licht waargenomen. Deze plaats noemen we de blinde vlek.

Op de plaats van het netvlies waar zich met name kegeltjes bevinden, zijn de lichtgevoelige elementen niet bedekt door andere laagjes van de retina. Hierdoor is het gezichtsvermogen op deze plaats het scherpst. We noemen deze plaats de gele vlek.

In het binnenste van de oogbol bevindt zich nog een aantal structuren die van belang zijn voor het zien.

  1. De ooglens bevindt zich achter de iris en bestaat uit glasheldere, zeer elastische vezels. De lens is van zichzelf bijna rond en het middelpunt ligt op gelijke hoogte met het middelpunt van de iris (de pupil) ervoor. De lens hangt als het ware in een stelsel van bandjes die met kleine peesjes vastzitten aan het straallichaam (corpus ciliare). Door de spanning van kleine kringspiertjes in dit straallichaam is het mogelijk de vorm van de lens aan te passen (de lens wordt platter getrokken). Dit proces van aanpassing van de lensbolling noemen we accommodatie. Op de werking hiervan komen we nog terug.
  2. Het glasachtig lichaam (corpus vitreum) ligt tussen de lens en het netvlies. Het is een geleiachtige massa met een zeer heldere samenstelling, waardoor de invallende lichtstralen eenvoudig kunnen passeren.
  3. De ruimte tussen het hoornvlies en de lens noemen we de oogkamer. Deze wordt door de iris verdeeld in een voorste oogkamer tussen het hoornvlies en de iris en een achterste oogkamer tussen de iris en de lens. Deze beide kamers staan met elkaar in verbinding door een opening in de pupil. De beide oogkamers zijn gevuld met een glasheldere vloeistof, het kamerwater. Dit kamerwater wordt continu geproduceerd in de achterste kamer door het corpus ciliare en de iris. Er moet dus steeds kamerwater 

worden afgevoerd. Dit gebeurt via de voorste kamer en een speciaal kanaaltje (van Schlemm), dat rondom de iris ligt. Dit voert het vocht af in een adersysteem. Als de afvoer ergens belemmerd wordt of de productie van kamerwater te hoog is, ontstaat er een drukverhoging in de oogbol. Dit is een pijnlijke situatie, die bekend staat als het ziektebeeld glaucoom. Deze aandoening wordt bij de pathologie behandeld.

4. De oogzenuw (nervus opticus, n. II) ontspringt bij het netvlies in de blinde vlek. Hij begint als een groot aantal kleine zenuwvezels die zich verzamelt tot een stevige steel achter in de oogbol, waarmee het oog ook vastzit. Vervolgens loopt de oogzenuw door de oogkas via een opening naar de onderkant van de hersenen. Vandaar gaan de prikkels naar het gezichtscentrum in de schors van de grote hersenen.

De werking van het oog

Licht is opgebouwd uit elektromagnetische golven. Deze golven kaatsen van een voorwerp af en worden door het oog opgevangen. Het oog kan licht waarnemen met een bepaalde golflengte (lichtprikkels). Kleinere golflengten (infrarood) en grotere golflengten (ultraviolet en röntgen) kan het oog niet waarnemen. De werking van het oog kan worden vergeleken met die van een fototoestel. Voorwerpen uit de omgeving worden door middel van de lens afgebeeld en opgevangen op een achterwand. Bij een fototoestel wordt deze achtergrond gevormd door een lichtgevoelige film en bij het oog door het netvlies. Een opvallend verschijnsel dat optreedt bij deze projectie van de voorwerpen op het netvlies, is het feit dat het beeld omgekeerd op het netvlies verschijnt, doordat in de lens de beelden worden omgekeerd (zie figuur 62). (Dit gebeurt ook bij een fototoestel.) De kegeltjes en staafjes op het netvlies vangen de lichtstralen op en zetten deze om in elektrische zenuwprikkels. Deze gaan via de gezichtszenuw naar het gezichtscentrum in de hersenen, waar we ons ervan bewust worden. Het zenuwstelsel is gelukkig in staat om de projectie om te keren, zodat u toch alles normaal ziet. Verder wordt in het zenuwstelsel ook de informatie uit beide ogen gecombineerd. Hierdoor is het mogelijk diepte te zien.


De lichtstralen die het oog bereiken, passeren achtereenvolgens het hoornvlies, de voorste oogkamer, de pupil, de ooglens en het glasachtig lichaam, voor ze op het netvlies vallen. De lens en het glasachtig lichaam veroorzaken de breking van de lichtstralen. Bij het proces van beeldvorming spelen de pupil, de lens en het netvlies een belangrijke rol.

De pupil zorgt ervoor dat er een optimale hoeveelheid licht binnenkomt door de pupilopening reflexmatig te vergroten of te verkleinen door de spiertjes in de iris. We noemen dit de pupilreflex. Hierdoor kunt u goed zien bij verschillende lichtsterkten. Bij fel zonlicht zal de pupilopening verkleinen. Dit noemen we miosis. In het donker zal de pupil vergroten (mydriasis).

Als een voorwerp bij een te platte lens dichtbij is, is er te weinig breking van de lichtstralen en valt het beeld achter het netvlies (we zien het voorwerp wazig). Als de lens accommodeert en boller wordt, is er in dezelfde situatie meer breking van de lichtstralen en valt het beeld precies op het netvlies (we zien het voorwerp scherp). De ooglens en het glasachtig lichaam zorgen ervoor dat de breking van de lichtstralen zodanig is dat de stralen op één plaats samenvallen op het netvlies: het brandpunt. Om voorwerpen die zich op verschillende afstanden bevinden goed te kunnen zien, beschikt de ooglens over het vermogen de lichtbreking aan te passen. Dit noemen we accommodatie. Accommodatie is dus het proces van aanpassing van de breking door de ooglens aan de afstand van het voorwerp waarop de ogen gericht zijn. Afhankelijk van de afstand van de voorwerpen vallen de lichtstralen anders het oog binnen (zie figuur 63). Bij voorwerpen van veraf komen de lichtstralen evenwijdig het oog binnen en is de brekende kracht van de ooglens in rusttoestand voldoende. De lens is dan zo plat als mogelijk. Naarmate de voorwerpen dichterbij komen, zullen de lichtstralen onder een grotere hoek binnenkomen. Deze stralen zullen een grotere breking moeten ondergaan om toch een scherp beeld op het netvlies te krijgen. De ooglens wordt dan door de kringspier (ciliarspier) van het straallichaam (corpus ciliare) boller getrokken en de brekende werking neemt toe. Als de afbeelding op het netvlies onscherp is, zullen goedwerkende ogen automatisch de best mogelijke instelling van de lens zoeken. Als een voorwerp te dicht bij de ogen komt, wordt het beeld onduidelijk, omdat er een punt is waar de maximale accommodatie plaatsvindt (de lens kan niet boller worden gemaakt). Het punt waar u nog juist scherp kunt zien, noemen we het nabijheidspunt van het oog. Het punt waarbij u nog scherp kunt zien zonder dat de lens gaat accommoderen (in rusttoestand dus), noemen we het vertepunt.

Naarmate men ouder wordt, neemt de flexibiliteit van de ooglenzen af en hierdoor verliezen ze een deel van hun vermogen om boller te worden. Het nabijheidspunt komt steeds verder weg te liggen. Dit verklaart waarom veel mensen rond hun vijftigste levensjaar moeilijkheden krijgen met het dichtbij scherp zien (verziend). Een leesbril met bolle (positieve) lenzen brengt dan uitkomst. (Als dit proces zich voortzet en de lens star wordt, is er geen accommodatie meer mogelijk en spreken we over ouderdomsverziendheid (presbyopie).

Als de ogen goed functioneren/accommoderen, spreken we over emmotropie. Vaak komt er een afwijking voor in de brekende kracht van het lenzensysteem. Het beeld valt dan niet altijd scherp op het netvlies. Een bril, die de lens helpt bij het op de juiste wijze breken van het licht, biedt dan uitkomst.

De gehoorzintuigen (de oren)

Geluid is opgebouwd uit trillingen (denk maar aan een snaar van een gitaar die in trilling wordt gebracht, waardoor geluid ontstaat). De snelheid van deze trillingen drukken we uit in het aantal trillingen per seconde, ook wel het aantal hertz (Hz) genoemd. Hoe sneller de trillingen, hoe hoger het geluid. Het menselijk oor is gemiddeld gevoelig voor trillingen van 20 tot 20.000 Hz. Het waarnemen van de geluidstrillingen doen we met de beide oren. De beide oren bestaan uit verschillende delen met verschillende functies. We onderscheiden het uitwendig oor, het middenoor en het binnenoor. Zie figuur 64.

1. Het uitwendig oor
Het uitwendig oor dient om de geluidstrillingen op te vangen. Het is opgebouwd uit een oorschelp (auricula), een uitwendige gehoorgang (meatus acusticus externus) en het trommelvlies (membrana tympani), dat de scheiding vormt met het middenoor. De oorschelp heeft een speciale vorm om de geluidstrillingen zo goed mogelijk op te vangen en door de gehoorgang naar binnen te geleiden. De oorschelp bestaat uit elastisch kraakbeenweefsel met huid. In de uitwendige gehoorgang bevinden zich klieren die een wasachtige buis van Eustachius hamer gehoorzenuwdrie halfcirkelvormige kanalen oorschelp gehoorgang trommelvlies aambeeld stijgbeugel slakkenhuis 286 Anatomie en fysiologie buis van Eustachiuslabyrint substantie afscheiden, het oorsmeer (cerumen). Dit zorgt ervoor dat de huid soepel blijft. Het smeer vermengt zich met vuil, stof en huidschilfertjes, dat naar buiten afgevoerd wordt. Problemen in de afvoer van oorsmeer kunnen leiden tot (cerumen)proppen, die doofheid kunnen veroorzaken. Op het einde van de uitwendige gehoorgang, op de grens tussen uitwendig oor en middenoor, bevindt zich in schuine stand het trommelvlies. Het is een dun vlies van ongeveer 5 millimeter in doorsnede.

2. Het middenoor
De functie van het middenoor is het geleiden en versterken van de geluidstrillingen. Het middenoor staat in verbinding met de neus-/keelholte door de buis van Eustachius. Het middenoor wordt gevormd door de zogenaamde trommelholte. In deze holte bevinden zich drie gehoorbeentjes, die door heel kleine gewrichtjes met elkaar verbonden zijn. De namen van deze gehoorbeentjes zijn ontleend aan hun specifieke vorm. Het eerste gehoorbeentje is de hamer (malleus).
Deze ligt met zijn steel verkleefd tegen de binnenkant van het trommelvlies. Het andere uiteinde van de hamer is verbonden met het aambeeld (incus), dat weer een verbinding heeft met de steel van de stijgbeugel (stapes). Dit is het kleinste botje in het menselijk lichaam. De andere zijde van de stijgbeugel (de voetplaat) past precies met zijn platte onderkant in een opening in het botstuk tussen het middenoor en het binnenoor. Hier zit hij vast aan een vlies van het binnenoor: het ovale venster. Dit is een vlies dat veel kleiner is dan het trommelvlies.

Door de specifieke hefboomverbinding van de gehoorbeentjes en het verschil in grootte van het trommelvlies (60 mm2) en het ovale venster (3 mm2) wordt de geluidstrilling flink versterkt. De voorwand van het middenoor loopt nauw toe en vormt de verbinding tussen middenoor en neus-/keelholte: de buis van Eustachius. Deze buis zorgt ervoor dat het middenoor met lucht gevuld is en dat de druk in het middenoor gelijk is aan de buitendruk. Wanneer er drukverschillen ontstaan tussen de buitenlucht en het middenoor, komt het trommelvlies onder spanning en kan het niet vrij meer trillen. Deze drukverschillen kunnen ontstaan tijdens een snelle stijging, bijvoorbeeld in een lift, of bij het opstijgen en landen van een vliegtuig. Naarmate u hoger komt, wordt de luchtdruk lager en gaat er lucht vanuit de trommelholte via de buis naar de neus-/keelholte. Dit proces kunt u bevorderen door enkele malen te slikken. Gaat het gelijkmaken van de druk niet goed of niet meteen, dan ontstaat er door de ongelijke druk een bepaalde, vaak onaangevaak onaangename, druk op het trommelvlies. Het horen wordt hierdoor bemoeilijkt.

3. Het binnenoor
Het binnenoor wordt ook wel het inwendige oor genoemd. Het bestaat uit een ingewikkeld gangenstelsel. Dit verklaart de naam labyrint of doolhof voor dit orgaan. In het labyrint bevinden zich het gehoororgaan en het evenwichtsorgaan. Het evenwichtsorgaan behoort niet tot de echte zintuigen en zullen we hierna behandelen. Het deel van het binnenoor dat bij het horen betrokken is, is het slakkenhuis (cochlea). Het slakkenhuis is een spiraalvormige ruimte met tweeënhalve 14 Zintuigen 287 luchtgeleiding beengeleiding drie halfcirkelvormige kanalen winding. De ruimte in het slakkenhuis is gevuld met een vloeistof en is verdeeld in twee gangen: een bovenste en een onderste. De bovenste gang is verbonden met het ovale venster (het ovale venster wordt tot het binnenoor gerekend). De onderste gang is verbonden met het zogenaamde ronde venster. De wand van de gangen in het slakkenhuis is aan de binnenzijde bekleed met een vlies dat de geluidsreceptoren bevat om trillingen om te zetten in elektrische (zenuw)prikkels. Deze receptoren zijn cellen met aan de bovenzijde korte uitsteeksels, de zogenaamde haarcellen. Deze cellen zijn verbonden met de gehoorzenuw (nervus acusticus).

De werking van het oor

Geluidstrillingen die het oor bereiken, worden door de oorschelp opgevangen en via de uitwendige gehoorgang naar het trommelvlies geleid. Het trommelvlies wordt hierdoor in trilling gebracht en geeft de trillingen door aan de gehoorbeentjes. Deze versterken de trillingen en brengen deze over op het ovale venster, dat de vloeistof in het binnenoor in beweging brengt. Deze golven in de vloeistof van het slakkenhuis zorgen dat de haartjes van de zintuigcellen bewogen worden. De haren van de zintuigcellen hebben allemaal een andere lengte. Hierdoor wordt iedere trilhaar bij een andere frequentie (trillingssnelheid) van het geluid in beweging gebracht, waardoor we onderscheid kunnen maken tussen verschillende toonhoogten. De golven in het slakkenhuis gaan door de bovenste gang naar het uiteinde van het slakkenhuis en komen via de onderste gang weer terug naar het middenoor. Hier zit het ronde venster, dat de golven afdempt. Als dit niet zou gebeuren, zou de vloeistof lang na blijven golven en zouden we dus een korte toon lang blijven horen.

Wanneer de vloeistof in het slakkenhuis op de hierboven omschreven wijze via de lucht in trilling wordt gebracht, spreken we over luchtgeleiding. Dit is de normale wijze van horen. Een andere manier waarop geluiden kunnen worden waargenomen, is door de vloeistof in het slakkenhuis die in beweging komt via zogenaamde beengeleiding. Dit vindt plaats wanneer de botstukken van de schedel in trilling worden gebracht (bijvoorbeeld door een trillende stemvork tegen de schedel te houden). Dit wordt bijvoorbeeld gebruikt voor onderzoek bij gehoorstoornissen om te kijken of de stoornis in het luchtgeleidingssysteem zit of in het slakkenhuis.


Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

Je kunt elke dag starten met de cursus Basis medische vakken dus zet vandaag nog de eerste stap!

8 redenen om bij het NTI te studeren

  1. Erkende opleidingen, gewaardeerd in het bedrijfsleven
  2. Prettige en deskundige begeleiding door ervaren docenten
  3. Voordelig lesgeld
  4. Flexibel studeren
  5. Studeren met veel persoonlijk contact
  6. Modern studeren via onze digitale leeromgeving
  7. Persoonlijke studiebegeleiding van een mentor
  8. Studeren op kosten van de werkgever en/of de fiscus

Neem gerust contact met ons op, als je nog vragen hebt.

Succes met het kiezen van je cursus of opleiding!

1 / 1